Nederlandse staat hielp bij oprichting en financiering Campo Alegre

· - leestijd 2 minuten
Afbeelding

WILLEMSTAD – De Nederlandse koloniale overheid speelde een actieve rol bij de oprichting en financiering van Campo Alegre op Curaçao. Het bordeel werd in 1949 mede met steun van de Nederlandse staat opgezet en was onder meer bedoeld als ontspanningsvoorziening voor Nederlandse militairen. Voor de bouw stelde de overheid bovendien financiering via de Postspaarbank beschikbaar. Dat blijkt uit nieuw wetenschappelijk onderzoek van de Universiteit van Amsterdam.


De studie Doing sexual risk in the Dutch Navy in colonial Curaçao van socioloog Marie-Louise Janssen en historicus Diede Schaap verscheen in juli in het wetenschappelijke tijdschrift Health, Risk & Society. De onderzoekers combineerden onderzoek in Nederlandse koloniale archieven met interviews met tien voormalige leden van de Koninklijke Marine die op Curaçao waren gestationeerd.

Volgens de onderzoekers werd Campo Alegre in 1949 mede door de Nederlandse staat opgericht als een zogenoemde rest and recreation-voorziening voor de vele militairen die destijds op Curaçao verbleven.

Uit archiefstukken die in de studie worden aangehaald, blijkt daarnaast dat de Nederlandse overheid een lening van de Postspaarbank beschikbaar stelde voor de bouw van het complex. De overheid koos voor concentratie van buitenlandse sekswerkers op één locatie buiten Willemstad, waar politiecontrole kon plaatsvinden en minderjarigen geen toegang kregen.

‘Noodzakelijk kwaad’

Aan het beleid lag de gedachte ten grondslag dat prostitutie een ‘noodzakelijk kwaad’ was dat niet kon worden uitgebannen, maar wel gecontroleerd moest worden. De sterke groei van de olie-industrie en de haven had grote aantallen alleenstaande mannen naar Curaçao gebracht.

Volgens documenten die de onderzoekers aanhalen, bezochten destijds maandelijks meer dan 20.000 buitenlandse zeelieden het eiland. Daarnaast waren ongeveer 5.000 alleenstaande werknemers voor Shell naar Curaçao gehaald en verbleven er Nederlandse en enkele duizenden Amerikaanse militairen.

De koloniale autoriteiten wilden prostitutie uit het centrum van Willemstad verwijderen en tegelijkertijd de verspreiding van geslachtsziekten tegengaan. Eerder was zelfs overwogen om in Punda een gereguleerd prostitutiegebied te creëren, maar dat plan werd niet uitgevoerd omdat de binnenstad juist moest worden ontwikkeld als handelscentrum.

Alleen buitenlandse vrouwen

Het systeem was volgens de onderzoekers ook nadrukkelijk koloniaal georganiseerd. Curaçaose vrouwen mochten niet in het gereguleerde bordeel werken. De overheid stelde dat lokale vrouwen tegen de ‘immoraliteit’ van prostitutie moesten worden beschermd.

Buitenlandse vrouwen, vooral uit omliggende Latijns-Amerikaanse landen, mochten daarentegen wel legaal in Campo Alegre werken. Zij kregen aanvankelijk toestemming voor perioden van drie maanden en moesten daarna het eiland weer verlaten. Hierdoor ontstond een voortdurende stroom van vrouwelijke arbeidsmigranten naar Curaçao.

Nederland tekende VN-verdrag niet

De studie laat ook zien hoe ver de Nederlandse overheid in die periode ging om het Curaçaose prostitutiebeleid overeind te houden. Gouverneur Kasteel waarschuwde Den Haag in 1947 tegen aansluiting bij een VN-verdrag dat was gericht op het bestrijden van mensenhandel en de exploitatie van prostitutie.

Volgens hem was het abolitionistische karakter van het verdrag niet verenigbaar met de situatie op Curaçao, waar grote aantallen alleenstaande mannen verbleven. Hij vreesde dat het verdwijnen van prostitutie tot ernstige maatschappelijke problemen zou leiden.

De Nederlandse regering volgde die redenering uiteindelijk en besloot het verdrag niet te ondertekenen, schrijven Janssen en Schaap op basis van correspondentie uit het Nationaal Archief.

De onderzoekers concluderen dat Campo Alegre daarmee niet alleen het resultaat was van lokaal gedoogbeleid. De Nederlandse staat, de koloniale overheid, de krijgsmacht en ook de katholieke kerk waren betrokken bij een systeem waarin prostitutie tegelijkertijd als immoreel werd beschouwd én actief werd georganiseerd en gereguleerd.

Volgens de auteurs is juist die dubbelzinnigheid kenmerkend voor het Nederlandse koloniale beleid: prostitutie was formeel ongewenst, maar werd in de praktijk geïnstitutionaliseerd om publieke orde, seksuele gezondheid en het gedrag van grote groepen alleenstaande mannen beheersbaar te houden.


344 keer gelezen

Deel dit artikel: