Menselijk gebruik vormt Curaçaose natuur al 5.700 jaar

· - leestijd 3 minuten
Rif st. Marie
Rif st. Marie

WILLEMSTAD – De huidige natuurgebieden rond Rif Sint Marie en Jan Thiel zijn mede gevormd door bijna zesduizend jaar menselijke activiteit. Prekoloniale visserij, plantages, slavernij, veeteelt, zoutwinning en waterbeheer hebben blijvende sporen achtergelaten in het landschap en de biodiversiteit.


Dat blijkt uit de eerste gezamenlijke publicatie van het Curaçao Cultural Landscape Project over onderzoek dat tussen 2022 en 2025 is uitgevoerd. De resultaten verschenen op 14 juli in het internationale wetenschappelijke tijdschrift Antiquity van Cambridge University Press.

Dat Curaçao ongeveer 5.700 jaar geleden al werd bewoond, werd in 2024 bekend. De nieuwe publicatie brengt de resultaten van verschillende archeologische en ecologische onderzoeken nu voor het eerst bij elkaar. Daardoor ontstaat een doorlopend beeld van de manier waarop opeenvolgende bevolkingsgroepen het landschap van Rif Sint Marie en Jan Thiel hebben gebruikt en veranderd.

Negen vindplaatsen

De onderzoekers bestudeerden bij Rif Sint Marie en Jan Thiel samen bijna veertien vierkante kilometer. Zij gebruikten opgravingen, bodemonderzoek, geofysische metingen, dierlijke resten en sedimentkernen uit de lagunes.

In totaal zijn negen archeologische vindplaatsen bevestigd. Die lopen uiteen van prekoloniale plaatsen van vóór de komst van Europeanen tot resten van plantages, slavernij, zoutwinning en twintigste-eeuwse bewoning.

Bij Jan Thiel zijn vijf prekoloniale schelpenhopen vastgesteld. De ondiepe en plaatselijke afzettingen wijzen erop dat mensen het gebied waarschijnlijk met tussenpozen bezochten om schelpdieren te verzamelen. De vondsten bevatten vooral resten van oesters en andere schelpdiersoorten die in mangroven en beschutte moddervlaktes leven.

Een locatie bij Den Dunki/Sorsaka die eerder als mogelijke prekoloniale vindplaats werd beschouwd, bleek dat volgens de opgravingen niet te zijn. De onderzoekers merken op dat de schelpenhopen moeilijk nauwkeurig zijn te dateren door de kalkrijke ondergrond van de lagune.

Bewust gekozen schuilplaats

De oudste onderzochte plek is een rotsschuilplaats bij Rif Sint Marie. Koolstofdatering wees eerder al uit dat die tussen 3785 en 3365 voor Christus werd gebruikt. Daarmee werd de vroegste menselijke aanwezigheid op Curaçao 300 tot 850 jaar verder teruggebracht dan tot dan toe werd aangenomen.

In de rotsschuilplaats zijn stenen en koraalwerktuigen, schelpen, dierenbotten en drie stookplaatsen met een doorsnede van ongeveer een meter gevonden. De verschillende gebruikssporen wijzen erop dat mensen er herhaaldelijk verbleven.

Volgens de onderzoekers was de ligging waarschijnlijk bewust gekozen. De schuilplaats bood bescherming tegen de felle middagzon en gaf tegelijkertijd uitzicht over het lager gelegen landschap. Dat geldt als een voorbeeld van de manier waarop de vroege bewoners zich aanpasten aan het droge en zonrijke klimaat van Curaçao.

Vis vermoedelijk per kano aangevoerd

De aangetroffen dierenresten bestaan voornamelijk uit zeedieren. Daaronder bevinden zich rifvissen zoals papegaaivissen en doktersvissen. Die werden waarschijnlijk gevangen bij het rif, ongeveer twee kilometer van de schuilplaats, en vermoedelijk per kano over het water vervoerd.

Ongeveer 32 procent van de onderzochte resten bestaat uit zeeschelpen. De aanwezige soorten wijzen erop dat de saliña van Sint Marie ongeveer 5.500 jaar geleden al een beschutte baai met mangroven was. Lopend onderzoek naar stuifmeel in sedimentkernen ondersteunt die reconstructie.

De combinatie van werktuigen, voedselresten en herhaald gebruikte stookplaatsen draagt volgens de onderzoekers bij aan het groeiende inzicht dat vroege bewoners van het Caribisch gebied mogelijk minder voortdurend rondtrokken dan lange tijd werd gedacht.

Plantage en slavernij

In hetzelfde landschap liggen ook resten van de plantage Rif Sint Marie, die rond 1680 werd gevestigd. Met hoogtebeelden, archiefonderzoek en opgravingen zijn onder meer delen van een nederzetting van tot slaaf gemaakte mensen, een kunstmatig waterreservoir, een pakhuis en een veekraal onderzocht.

Daar zijn glaswerk, tabakspijpen, bakstenen en huishoudelijk aardewerk uit Nederland, Engeland en Duitsland gevonden. Ook troffen de onderzoekers botten van schapen, geiten en varkens aan, evenals onderdelen van een Ford Model T.

De vondsten tonen aan dat het gebied vanaf de koloniale periode deel uitmaakte van internationale handelsnetwerken. De invoer van vee en andere goederen veranderde niet alleen de economie en het dagelijks leven, maar had ook gevolgen voor de lokale biodiversiteit.

Zoutpannen hebben nog altijd invloed

Bij Jan Thiel zijn muren, dammen en verdampingsbassins van de vroegere zoutwinning nog in het landschap aanwezig. Deze constructies werden gebruikt om de watertoevoer en het zoutgehalte te beheersen.

Volgens de onderzoekers kunnen die oude ingrepen tegenwoordig mede bijdragen aan de ecologische waarde van het gebied. Doordat delen van het systeem zoet water vasthouden, kan het landschap geschikter zijn geworden voor bepaalde watervogels. Jan Thiel geldt tegenwoordig als een belangrijk vogelgebied.

Ook een vroegtwintigste-eeuwse afvalplaats van ongeveer 1.500 vierkante meter laat zien hoe het gebruik van Jan Thiel veranderde. Daar zijn veel geïmporteerde consumptiegoederen gevonden, waaronder flessen huishoudelijk schoonmaakmiddel en Duits tandpoeder. De onderzoekers verbinden die vondsten aan de overgang van landbouw en zoutwinning naar woningbouw en recreatie.

Vindplaatsen van het onderzoek
Vindplaatsen van het onderzoek

Geen onaangetast landschap

De centrale conclusie is dat Rif Sint Marie en Jan Thiel niet kunnen worden beschouwd als natuurgebieden die zich los van menselijke aanwezigheid hebben ontwikkeld. Hun huidige bodem, vegetatie, waterhuishouding en dierenwereld zijn mede het resultaat van duizenden jaren menselijk gebruik.

Inheemse bewoners, koloniale plantagehouders, tot slaaf gemaakte mensen en latere inwoners pasten het landschap telkens aan hun omstandigheden aan. Zij kozen beschutte verblijfplaatsen, verzamelden voedsel, introduceerden vee, legden waterreservoirs en zoutpannen aan en verbonden Curaçao met internationale handelsnetwerken.

Volgens de onderzoekers is die historische kennis belangrijk voor het huidige natuur- en erfgoedbeheer. Bescherming van gebieden als Rif Sint Marie en Jan Thiel vraagt daarom niet alleen aandacht voor planten en dieren, maar ook voor de menselijke geschiedenis die het landschap heeft gevormd.

Het onderzoek is uitgevoerd door stichting NAAM op Curaçao, Simon Fraser University in Canada, de University of Queensland in Australië, het Max Planck Institute of Geoanthropology in Duitsland en andere internationale partners.


794 keer gelezen

Deel dit artikel: