
WILLEMSTAD – De regering van Curaçao heeft in haar reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer over de jaarrekening 2023 meerdere kernbevindingen betwist. Minister van Financiën Charles Cooper stelt dat de Rekenkamer feitelijke en materiële onjuistheden heeft opgenomen en dat de werkwijze onvoldoende zorgvuldig is geweest.
Maar In het rapport zelf zijn de bezwaren van de regering uitvoerig opgenomen en beantwoord. Een overzicht van de belangrijkste twistpunten laat zien waar de meningsverschillen precies liggen.
Verwerking begrotingswijzigingen
Een eerste belangrijk geschilpunt betreft de wijze waarop begrotingswijzigingen in 2023 zijn verwerkt. De Rekenkamer stelt dat sprake is van onrechtmatige begrotingsafwijkingen, omdat uitgaven zijn gedaan zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten.
Volgens de wet kunnen begrotingswijzigingen slechts op vaste momenten in het jaar worden ingediend. Zolang de jaarrekening niet door de Staten is vastgesteld, zijn deze afwijkingen volgens de Rekenkamer juridisch onrechtmatig.
De regering bestrijdt dit en beroept zich op de Landsverordening Comptabiliteit, die toestaat dat begrotingswijzigingen ook via vaststelling van de jaarrekening kunnen worden goedgekeurd.
De Rekenkamer erkent dat deze mogelijkheid formeel bestaat, maar stelt dat deze slechts bedoeld is voor uitzonderingen na de laatste indieningsdatum van 15 november en niet om structureel afwijkingen achteraf te legaliseren. Daarom blijft zij bij haar oordeel.
Gebouw Belastingdienst
Ook over de renovatie van het gebouw van de Belastingdienst verschillen regering en Rekenkamer fundamenteel van inzicht. De Rekenkamer concludeert dat de Stichting Belasting Accountants Bureau (SBAB) geen bevoegdheid heeft om bouw- en renovatieprojecten te coördineren en dat de opdracht in strijd is met haar statuten.
De regering voert daartegen aan dat de minister op grond van het Landsbelang mocht afwijken van de aanbestedingsregels, gezien de urgente volksgezondheidsrisico’s (Corona, red.).
Maar de Rekenkamer wijst er op dat uitzonderingen op aanbesteding slechts restrictief mogen worden toegepast en dat bovendien SBAB statutair geen bevoegdheid heeft om dergelijke projecten te coördineren, zodat de rechtmatigheid van de constructie niet kan worden aanvaard.
Rol van SOAB
Een derde belangrijk twistpunt betreft de rol van SOAB bij het beheren van publieke middelen. De Rekenkamer stelt dat SOAB zonder wettelijke grondslag middelen heeft beheerd en daarmee buiten haar bevoegdheden is getreden.
SOAB en de regering hebben hiertegen ingebracht dat de werkzaamheden binnen het statutaire kader vielen en dat geen sprake was van financieel beheer in de zin van de comptabiliteitswetgeving. In een tweede reactie heeft SOAB zelfs gesteld dat zij niet als interne accountant, maar als extern adviseur optrad.
Juist dat laatste leidt er volgens de Rekenkamer toe dat het aanbestedingsrecht onverkort van toepassing is en bevestigt volgens haar dat de eerdere wettelijke grondslag niet houdbaar was. De Rekenkamer handhaaft daarom haar bevinding.
Indexeringen
Ook de betaling van indexeringen over de jaren 2019 en 2020 vormt een punt van conflict. De Rekenkamer concludeert dat deze betalingen in 2023 zijn gedaan via een voorschot op de begroting 2024 en daarom niet rechtmatig zijn.
De regering stelt dat in de begroting 2023 reeds rekening was gehouden met deze betalingen.
De Rekenkamer wijst erop dat uit de begroting niet blijkt dat specifiek met deze indexeringen rekening is gehouden en dat bovendien uit besluiten van de Raad van Ministers volgt dat het om een voorschot op 2024 ging. De bevinding blijft daarom volgens haar ongewijzigd.
Criminaliteitsbestrijdingsfonds
Een vergelijkbare botsing is zichtbaar rond het Criminaliteitsbestrijdingsfonds. De Rekenkamer stelt dat dit fonds geen rechtspersoonlijkheid bezit en dat de opbrengsten uit boetes daarom in de jaarrekening van het Land hadden moeten worden verantwoord.
De regering wijst erop dat het fonds bij landsverordening is ingesteld en dat de overdracht van middelen wettelijk is geregeld.
De Rekenkamer blijft echter bij haar standpunt dat het fonds, zolang het geen zelfstandige rechtspersoon is en onder ministeriële verantwoordelijkheid valt, onderdeel moet zijn van de financiële verantwoording van het Land.
Speelvergunningsrechten
Ten slotte is er discussie over de verwerking van opbrengsten uit speelvergunningsrechten. Volgens de Rekenkamer is ruim 22 miljoen gulden aan inkomsten over de periode 2011 tot en met 2021 ten onrechte als opbrengst van 2023 verantwoord.
De regering beroept zich op de bepaling dat baten mogen worden toegerekend aan het jaar waarin het bestaan ervan bekend wordt.
De Rekenkamer stelt daartegenover dat het Land op grond van de Casinowet jaarlijks recht heeft op deze opbrengsten en dat daarom niet kan worden volgehouden dat het bestaan ervan pas in 2023 bekend werd.
Controlelogica
Uit deze confrontatie blijkt dat de regering in vrijwel alle gevallen een andere juridische en bestuurlijke interpretatie hanteert dan de Rekenkamer, terwijl de Rekenkamer haar bevindingen consequent handhaaft met verwijzing naar wetssystematiek en controlelogica.
Daarmee is zichtbaar dat Cooper niet zozeer de feiten zelf onderuit haalt, maar vooral de juridische en bestuurlijke duiding daarvan betwist.

































