Ombudsman: pensioengat blijft zes jaar liggen

· - leestijd 1 minuut
Afbeelding

WILLEMSTAD – Een mogelijke leemte in de pensioenwet houdt een voormalig overheidsdienaar al jaren in onzekerheid over zijn pensioen. De overheid weet volgens de Ombudsman sinds 2020 van het probleem, maar heeft nog altijd geen besluit genomen over een oplossing.


De betrokkene trad in 1985 in dienst bij het eilandgebied Curaçao en ging in 2020 uit dienst. In zijn pensioenbericht van het Algemeen Pensioenfonds Curaçao stond dat hij vanaf zijn zestigste met pensioen kon. Toen hij dat pensioen aanvroeg, wees het fonds zijn verzoek af, kennelijk vanwege een leemte in de wetgeving.

Die leemte lijkt te zitten in de overgangsregeling na de verhoging van de pensioenleeftijd naar 65 jaar. Artikel 110c van de Pensioenlandsverordening biedt bepaalde overheidsdienaren de mogelijkheid het pensioen al vanaf 60 jaar te laten ingaan, met een korting van 6 procent per jaar dat het pensioen eerder begint.

Die bepaling noemt echter niet uitdrukkelijk de gewezen overheidsdienaar: iemand die al uit dienst is voordat het pensioen ingaat. Andere overgangsbepalingen in dezelfde wet noemen beide groepen wel.

Daardoor kan iemand die pensioen heeft opgebouwd, maar vóór zijn zestigste uit overheidsdienst is gegaan, volgens die lezing buiten de regeling voor vervroegd pensioen vallen.

De Ombudsman doet geen inhoudelijke uitspraak over die wetsuitleg, maar stelt vast dat het APC de regering al op 5 november 2020 op de fout had gewezen. Een jaar later lag er een advies om de regelgeving te corrigeren en het fonds vooruitlopend op een formele wetswijziging al pensioen te laten uitbetalen aan rechthebbenden.

De oud-overheidsdienaar vroeg de minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening in juni 2023 om zijn pensioendatum te corrigeren. Hij kreeg geen antwoord. Ook brieven, herinneringen en de voorlopige bevindingen van de Ombudsman bleven zonder reactie van de minister. De Ombudsman beschouwt de feiten van de klager daarom als niet weersproken.

De Ombudsman oordeelt dat de minister niet voortvarend heeft gehandeld en de betrokkene niet fatsoenlijk heeft bejegend. Daarbij wijst hij erop dat de kwestie mogelijk meer mensen in een vergelijkbare positie raakt. De minister krijgt acht weken om alsnog gemotiveerd op de klachten te beslissen.


187 keer gelezen

Deel dit artikel: