
Charles Cooper heeft een opmerkelijk antwoord op mensen die zich zorgen maken over de razendsnelle bebouwing van Curaçao: bouwen. Wie protesteert, houdt ontwikkeling tegen. Wie naar het EOP wijst, krijgt een andere uitleg van dat EOP. Wie naar de rechter stapt en wint, krijgt vervolgens binnen drie weken een nieuwe vergunning tegenover zich. Wie vragen stelt over een bouwproject dat niet volgens de vergunning wordt uitgevoerd, wordt doorverwezen naar de ambtenaren. En zelfs wanneer UNESCO vragen stelt, blijft het stil. Langzaam ontstaat zo een ongemakkelijke vraag: wie bepaalt op Curaçao eigenlijk nog de grenzen aan het bouwen?
De demonstranten die zondag bij The Pyrmont in de Penstraat stonden, kregen maandag van Cooper een geschiedenisles. Het hotelproject bestaat al meer dan twintig jaar, schreef hij. Het ware schandaal is volgens hem niet dat daar nu een enorm complex verrijst, maar dat het überhaupt zo lang heeft geduurd.
Daarbij gaf Cooper de demonstranten nog een planologisch lesje mee: het Eilandelijk Ontwikkelingsplan zou het gebied immers hebben aangewezen als toeristisch gebied.
Alleen: dat klopt niet.
De rechter heeft bij de behandeling van de bouwvergunning voor exact dit project vastgesteld dat het grootste gedeelte van het terrein de EOP-bestemming Stedelijk Woongebied heeft en een ander gedeelte onder Binnenstad valt. Niet Toeristisch Gebied.
Dat is geen detail. Cooper gebruikt juist die vermeende toeristische bestemming om de suggestie te wekken dat tegenstanders protesteren tegen iets wat planologisch altijd al de bedoeling was.
Maar dat is niet wat het EOP zegt.
De vergunning past zich aan de bouw aan
Het wordt interessanter wanneer we The Pyrmont niet als incident bekijken. Bij het project ging de discussie eerder al over de vraag hoe een hotel tot circa twintig meter hoog kon worden vergund op een locatie waar voor een belangrijk deel een maximale bouwhoogte van acht meter gold. De rechter vernietigde in november 2023 de bouwvergunning omdat Coopers ministerie onvoldoende had gemotiveerd waarom zo’n forse afwijking mocht worden toegestaan.
Dat zou in een goed functionerend systeem een serieus moment van bezinning kunnen zijn.
Niet hier.
Nog geen maand later tekende Cooper een nieuwe vergunning. De motivering was uitgebreid en de bouw kon verder. Formeel kan dat. En precies daarin zit het probleem.
De rechter houdt de overheid aan haar eigen regels, maar wanneer het besluit ondeugdelijk blijkt, wordt niet noodzakelijkerwijs het project aangepast. De overheid past het besluit aan.
De toren blijft staan waar hij gepland was. Dat is een belangrijk verschil.
Zakitó: eerst bouwen, daarna oplossen
Kijk naar Zakitó. Dat is planologisch niet hetzelfde dossier als The Pyrmont. Het betreffende gebied bij Parasasa heeft wél een toeristische EOP-bestemming. Maar juist daardoor is het voorbeeld misschien nog veelzeggender.
Een inspectie van VVRP stelde dit jaar vast dat verschillende gebouwen van het appartementenproject niet overeenkomen met de verleende bouwvergunning. Een van de torens bleek 4,22 meter hoger dan vergund. Er waren meer bouwlagen gerealiseerd dan op de vergunning stonden en voor gewijzigde ontwerpen bleek geen formele wijzigingsvergunning te zijn verleend.
De eigen inspecteurs van VVRP kwamen vervolgens met twee mogelijkheden: de ontwikkelaar alsnog een wijzigingsvergunning laten aanvragen, of handhavend optreden en herstel eisen.
Lees die volgorde nog eens.
Er wordt gebouwd.
Er wordt anders gebouwd dan vergund.
De overheid ontdekt dat achteraf.
En een van de oplossingen is vervolgens: pas de vergunning aan.
Coopers reactie was al even illustratief. Het toezicht is volgens hem een verantwoordelijkheid van ROP. Als het niet goed is gegaan, moet die dienst een oplossing vinden.
Maar ROP is geen buitenlandse organisatie die toevallig onder zijn raam langsloopt. Het is onderdeel van het ministerie waarvoor Cooper politiek verantwoordelijk is.
Een minister kan bevoegdheden delegeren. Verantwoordelijkheid verdwijnt daarmee niet.
Zes projecten en één UNESCO-vraagstuk
Hetzelfde ongemak zien we in de historische binnenstad.
Vier Curaçaose erfgoedorganisaties stapten dit jaar naar UNESCO vanwege zes projecten: The Wharf in Scharloo, Pen Resort/The Pyrmont in Pietermaai, Majestic Apartments and Hotel en Waterfort Plaza in Punda, en West Wharf en Belvedère in Otrobanda.
Hun bezwaar richt zich niet tegen elke nieuwe steen in Willemstad. Hun punt is dat artikel 4 van het EOP de schaal en het karakter van de historische stad moet beschermen en dat enorme nieuwe bouwmassa’s daar niet zomaar naast kunnen worden gezet.
UNESCO stelde daarover vragen.
Volgens de voorzitter van de Monumentenraad heeft Cooper die vragen niet beantwoord.
Cooper had publiekelijk wel een antwoord op zijn Curaçaose critici: de UNESCO-status brengt volgens hem niet rechtstreeks geld in het laatje en mensen die zich tegen deze projecten verzetten zouden ontwikkeling tegenhouden.
Daarmee wordt het debat handig verengd.
Alsof er maar twee mogelijkheden bestaan: bouwen of armoede. Een hotel van twintig meter of economische stilstand. Een appartementencomplex of achteruitgang.
Maar ruimtelijke ordening bestaat nu juist omdat een samenleving méér belangen heeft dan dat van degene die vandaag geld heeft om beton te storten.
Er zijn bewoners. Er is infrastructuur. Er is verkeer. Er is afvalwater. Er is kust. Er is erfgoed. Er zijn stranden. Er is natuur. Er is beperkte ruimte.
En er is een volgende generatie.
De regering weet inmiddels precies waar de grens ligt
Het wrange is dat deze discussie niet langer gevoerd hoeft te worden op basis van vermoedens van boze buurtbewoners. De Curaçaose regering heeft zelf laten onderzoeken hoeveel toeristische groei het eiland nog aankan.
De uitkomst van die carrying-capacitystudie is buitengewoon duidelijk. De infrastructuur functioneert volgens de onderzoekers al dicht tegen haar grenzen. Afvalwater, afvalverwerking, luchthaven, stranden, koraal en verkeersdruk staan onder toenemende spanning. Wanneer Curaçao op de huidige manier doorgroeit, beweegt het eiland richting omstandigheden van overtoerisme.
Nog relevanter voor Cooper: het rapport waarschuwt dat juist nu beslissingen moeten worden genomen, voordat een volgende hotelbouwcyclus ontwikkelingen vastlegt die later steeds duurder en moeilijker terug te draaien zijn. Het adviseert een ruimtelijk kader dat bepaalt waar en hoe toeristische ontwikkeling nog kan plaatsvinden.
De onderzoekers schetsen zelfs een alternatief waarbij nieuwe ontwikkeling tijdelijk wordt afgeremd zodat infrastructuur de tijd krijgt om in te lopen. Bij ongewijzigd beleid – wat zij supply-driven growth noemen – ontstaat juist de grootste belasting voor infrastructuur, natuur en samenleving.
We weten dus wat er gebeurt. We meten het. We onderzoeken het. We schrijven rapporten. En ondertussen bouwen we verder.
De vraag is niet of Cooper mag bouwen
Daarmee komen we terug bij The Pyrmont. Het probleem is uiteindelijk groter dan de vraag of Charles Cooper maandag iets onwaars op Facebook schreef over de EOP-bestemming van één perceel.
Het probleem is een bestuurscultuur waarin de remmen steeds minder remmen. Het EOP stelt grenzen, maar daarvan kan worden afgeweken. Een rechter vernietigt een vergunning, maar er kan een nieuwe worden geschreven. Een gebouw wijkt af van zijn vergunning, maar er kan achteraf worden bekeken of de vergunning kan worden aangepast. Erfgoedorganisaties trekken aan de bel, maar worden neergezet als tegenstanders van vooruitgang. UNESCO stelt vragen, maar krijgt geen antwoord.
En een door de overheid zelf besteld onderzoek zegt dat het eiland zijn fysieke grenzen nadert, terwijl nieuwe projecten gewoon verder worden ontwikkeld. Iedere stap afzonderlijk kan juridisch te verdedigen zijn. Het totaalbeeld is dat niet.
De moed om nee te zeggen
Want ruimtelijke ordening behoort niet te betekenen dat de overheid achteraf juridische ruimte zoekt voor wat projectontwikkelaars al willen bouwen. Ruimtelijke ordening betekent dat de overheid vooraf bepaalt wat een klein eiland kan dragen – en vervolgens ook de moed heeft om nee te zeggen.
Een goede vriend van mij zei laatst: vergeet niet, investeerders die blijven komen, zullen geen nee aanvaarden van politici, en desnoods ja kopen. Dat is mijn grootste zorg.
Cooper houdt van bouwen. Daar maakt hij geen geheim van. Maar een minister van Ruimtelijke Planning is niet de minister van Bouwvergunningen. Hij is ook de minister van het woord planning.
En juist daar ligt na Pyrmont, Zakitó, de UNESCO-projecten en het nieuwe onderzoek de vraag die niet meer kan worden ontweken: Waar zegt Charles Cooper eigenlijk nog nee tegen?
Want zolang elk bezwaar uiteindelijk kan worden opgelost met een afwijking, een nieuwe motivering, een aangepaste vergunning of simpelweg nog een paar verdiepingen beton, is het EOP geen grens meer.
Dan is het hooguit papier dat in de weg ligt. En papier, zo blijkt, kun je verplaatsen.





































