Commentaar | Wie voedt Richeron Balentien?

· - leestijd 8 minuten
Richeron Balentien
Richeron Balentien

WILLEMSTAD - Het vonnis in de zaak van Wim Nijdam tegen journalist en commentator Richeron Balentien gaat juridisch over de grens tussen vrijheid van meningsuiting en bescherming van eer en goede naam. Maar de uitspraak roept ook een vraag op die de rechter niet hoefde te beantwoorden: waarom worden sommige machthebbers door Balentien consequent geprezen, terwijl hun tegenstanders met ernstige en soms nauwelijks onderbouwde beschuldigingen worden geconfronteerd? Wie zijn publicaties, zijn communicatie en de politieke strijd rond Financiën naast elkaar legt, ziet een patroon dat om nadere uitleg vraagt.


Redactioneel commentaar | Dick Drayer

Ik ben inmiddels zelf door Balentien in dat patroon betrokken. Balentien koppelde mij herhaaldelijk aan Nijdam, noemde Nijdam mijn ‘vriend’ en suggereerde deze week zonder nadere onderbouwing dat mijn naam voorkomt bij het Recherche Samenwerkingsteam, RST. Die persoonlijke betrokkenheid is reden om daarover juist open te zijn. Zij maakt de analyse niet minder relevant, maar vereist wel dat feiten, interpretatie en onbewezen vermoedens strikt van elkaar worden onderscheiden.

De rechter trekt een duidelijke grens

Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft vastgesteld dat Balentien onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Nijdam. Niet omdat Balentien scherp schreef, niet omdat hij een uitgesproken mening had en ook niet omdat Nijdam als publiek persoon geen kritiek zou hoeven verdragen. De rechter accepteert juist dat journalisten en commentatoren stevig moeten kunnen publiceren over personen die een publieke functie vervullen.

Het probleem was dat Balentien Nijdam in verband bracht met onder meer corruptie, cliëntelisme, cocaïnegebruik en spionage voor Nederland, terwijl voor die ernstige beschuldigingen volgens het Gerecht geen voldoende objectief verifieerbare feitelijke grondslag was aangetoond. Ook was geen wederhoor toegepast. In samenhang bezien schetsten de vele publicaties volgens de rechter een consistent en ernstig negatief beeld van Nijdam.

De betekenis van dat oordeel reikt verder dan één ruzie tussen twee mannen. Het raakt een publicatiemethode waarbij een beschuldiging eerst wordt gelanceerd, daarna wordt herhaald en vervolgens wordt aangevuld met nieuwe vermoedens die voortbouwen op eerdere, nog onbewezen aannames. Door herhaling kan een suggestie uiteindelijk de uitstraling van een vaststaand feit krijgen.

Juist daar heeft de rechter nu een stokje voor gestoken. Kritiek mag hard zijn, maar wie iemand van ernstige feiten beschuldigt, moet uiteindelijk kunnen laten zien waarop die beschuldiging rust.

Twee kampen en twee bewijsstandaarden

Een analyse van Balentiens uitlatingen over de afgelopen jaren laat rond het ministerie van Financiën een opvallende tweedeling zien. Aan de ene kant staan Charles Cooper, Gilmar Pisas en Alfonso Trona. Aan de andere kant Javier Silvania en Wim Nijdam. Het verschil in toon is niet subtiel, maar uitgesproken.

Cooper wordt neergezet als ervaren en daadkrachtig. Balentien schrijft over hem: “Unda ku bo pone Cooper e ta hasi e trabou” — waar je Cooper ook neerzet, hij doet zijn werk. Trona krijgt eveneens uitzonderlijk veel krediet. Over hem schrijft Balentien dat niemand hem in zijn werk kan vervangen. Pisas wordt doorgaans positief behandeld en krijgt vooral kritiek omdat hij Silvania volgens Balentien te lang zijn gang zou hebben laten gaan.

Voor Silvania en Nijdam gebruikt Balentien een heel ander register. Bij hen verschijnen woorden en suggesties over manipulatie, verborgen belangen, corruptie en machtsmisbruik. Op een gegeven moment worden beiden zelfs in één adem genoemd als “Silvania/Nijdam”. In augustus noemt Balentien Silvania de slechtste minister van Financiën uit de Curaçaose geschiedenis.

Dat verschil kan worden verklaard door politieke overtuiging. Een commentator mag Cooper bewonderen en Silvania wantrouwen. Maar het opvallende zit niet alleen in de waardering. Het zit ook in de manier waarop onzekerheid wordt behandeld. Bij de personen die Balentien verdedigt, leidt twijfel vaak tot een voor hen gunstige verklaring. Bij degenen die hij bestrijdt, lijkt twijfel juist een nieuwe reden voor verdenking te worden.

Het conflict rond Trona

Dat werd duidelijk in oktober 2025, toen het conflict tussen toenmalig minister Javier Silvania en Landsontvanger Alfonso Trona escaleerde. Silvania vertrok uit het kabinet en Charles Cooper nam de portefeuille Financiën over. In dezelfde periode verschenen mijn journalistieke publicaties over Trona en onderzoeken van SOAB naar de belastinginning.

Toen ik Balentien confronteerde met kritische informatie over Trona, verschoof Balentiens aandacht vrijwel onmiddellijk naar Nijdam. Hij vroeg wie mijn bron was: Wim Nijdam of iemand anders. Twee dagen later schreef hij: “Wanneer schrijf je over je vriend Wim Nijdam? Hoe is de raport gelekt? Dat is strafbaar.

Daarmee werd zonder aangetoonde feitelijke basis een keten gesuggereerd: kritische informatie over Trona zou van Nijdam afkomstig kunnen zijn, het zou om een lek gaan en dat lek zou strafbaar zijn. Toen ik hem erop wees dat de betreffende SOAB-rapporten gewoon via de Staten beschikbaar waren, werd die gedachtegang niet zichtbaar ingetrokken.

In een andere discussie stelde Balentien dat Nijdam achter een onderneming zou zitten en kwalificeerde hij dat direct als corruptie. Toen hem werd gevraagd waaruit die betrokkenheid bleek, kwam geen document waaruit dat volgde. Zijn redenering was dat Nijdam natuurlijk niet zo dom zou zijn om zoiets nog op zijn eigen naam te zetten.

Dat is een moeilijk weerlegbare constructie. Als een naam ergens voorkomt, kan dat als bewijs worden gebruikt. Als de naam ontbreekt, kan dat eveneens verdacht worden gemaakt, omdat de vermeende betrokkene het dan kennelijk slim zou hebben verborgen. Een beschuldiging wordt daarmee bijna immuun voor tegenbewijs.

Cooper als tegenbeeld van Silvania

Na het vertrek van Silvania werd Charles Cooper minister van Financiën. De verhouding tussen beide MFK-politici ontwikkelde zich daarna tot openlijke vijandigheid. Dat conflict werd in de zomer van 2026 zichtbaar in de controverse over 8,3 miljoen gulden bij de Curaçao Gaming Authority.

Cooper gebruikte dat bedrag in een publieke aanval op beleid uit de periode-Silvania. Kort daarna bleek dat de 8,3 miljoen niet eenvoudig kon worden gelijkgesteld aan betalingen aan één consultant, maar betrekking had op een bredere begrotingspost. Dat was op zichzelf voldoende reden om ook Coopers voorstelling van zaken kritisch te onderzoeken.

Bij Balentien volgt echter een andere beweging. Kort na die publieke confrontatie verschijnen steeds positievere boodschappen over Cooper en steeds hardere aanvallen op Silvania. Hij schrijft “Sifra ta papia pa su mes”, gevolgd door “MANIPULASHON DI JAVIER SILVANIA PART 1”. Daarna volgt opnieuw lof voor Cooper en de kwalificatie dat Silvania de slechtste minister van Financiën uit de Curaçaose geschiedenis zou zijn. Een dag later verschijnt “MANIPULASHON DI JAVIER SILVANIA PART 2”.

Dat is geen bewijs dat Cooper Balentien aanstuurt. Daarvoor ontbreekt vooralsnog direct bewijs. Er is geen bericht gevonden waarin Cooper Balentien opdraagt iets te publiceren, en ook van opdrachten door Trona of Pisas is niets aangetoond.

Maar de inhoudelijke overeenkomst tussen de belangen van Cooper en Trona enerzijds en Balentiens publicaties anderzijds is opvallend genoeg om de bronrelaties achter die publicaties te onderzoeken.

Balentien kreeg de vragen zelf voorgelegd

Voor dit commentaar legde ik Balentien vooraf een reeks concrete vragen voor. Ik vroeg waarom Balentien Charles Cooper en Alfonso Trona zo positief behandelt en Javier Silvania en Wim Nijdam zo negatief, waarop zijn beschuldigingen aan het adres van Nijdam waren gebaseerd en of hij informatie of documenten over Nijdam had gekregen van Cooper, Trona, Gilmar Pisas of mensen uit hun omgeving.

Ook vroeg ik of een van die personen Balentien ooit direct of indirect had gevraagd over Silvania of Nijdam te publiceren en of Balentien voorafgaand aan zijn publicaties contact had gehad met Cooper of Trona over die onderwerpen. Dat zijn wezenlijke vragen wanneer wordt onderzocht of iemand een onafhankelijke commentator is met sterke persoonlijke voorkeuren, of daarnaast ook fungeert als kanaal voor informatie uit een politiek-bestuurlijke machtsstrijd.

Balentien beantwoordde die vragen niet. Hij schreef eerst dat ik niet bij de rechtszitting aanwezig was en voegde daaraan toe: “jouw naam komt te voren bij RST”. Ook schreef hij: “Je speelt een rol in heel veel dat loopt hier op het eiland!!!

Ik vroeg daarop in welk RST-document, onderzoek of dossier mijn naam zou voorkomen, in welke context en op welke feitelijke informatie Balentien die suggestie baseerde. Ook vroeg ik opnieuw om antwoord op de eerdere vragen over Cooper, Trona, Silvania, Nijdam en zijn bronnen.

Balentiens reactie luidde: “De tijd komt. Maak je geen zorgen!!!” Kort daarna schreef hij: “Mijn reactie krijg jij niet. Blijf maar lekker schrijven voor je vriend Wim Nijdam. Trankil.” Hij sloot af met: “Alles zal tot klaar licht komen. Op de juiste moment!”

Wanneer de vragensteller zelf onderwerp wordt

Die reactie is relevant omdat zij opvallend veel lijkt op het patroon dat in de eerdere communicatie zichtbaar was. Wanneer Balentien wordt gevraagd om de feitelijke grondslag voor zijn uitspraken te geven, volgt niet noodzakelijk een document, bron of inhoudelijk tegenargument. In plaats daarvan kan een nieuwe suggestie worden geïntroduceerd over degene die de vragen stelt.

Dat gebeurde in 2025 toen ik kritische informatie over Trona publiceerde. Ik werd toen aan Nijdam gekoppeld en er werd gesproken over een mogelijk strafbaar lek. Het gebeurt opnieuw nu ik vragen stel over Balentiens mogelijke informatiebronnen en zijn uitgesproken voorkeur voor Cooper en Trona. Opnieuw verschijnt Nijdam als ‘vriend’ van mij en wordt een nieuwe suggestie gedaan, ditmaal over het RST.

Ook dat bewijst niet dat Balentien wordt aangestuurd. Maar het is wel een illustratie van de methode die in zijn publicaties over Nijdam centraal staat en waarvoor de rechter hem heeft teruggefloten: een ernstige suggestie wordt gedaan, terwijl de concrete onderbouwing op het moment dat daarom wordt gevraagd uitblijft.

Het probleem daarbij is niet dat Balentien geheimhoudt wie zijn journalistieke bronnen zijn. Bronbescherming is een essentieel journalistiek beginsel. Het probleem ontstaat wanneer ernstige feitelijke beschuldigingen worden gepubliceerd en vervolgens niet duidelijk wordt gemaakt welke controleerbare feiten die beschuldigingen dragen.

Aansturing is misschien niet eens de juiste vraag

De vraag of Cooper, Trona of Pisas Balentien ‘aanstuurt’ is mogelijk te absoluut geformuleerd. Politieke beïnvloeding hoeft niet te bestaan uit een minister die een journalist belt en hem opdraagt iemand aan te vallen.

Er bestaat ook een subtielere mogelijkheid. Een politicus, bestuurder of ambtenaar weet hoe een commentator over bepaalde personen denkt, weet welke verhalen hem interesseren en weet welke interpretatie waarschijnlijk volgt wanneer hem een document of aanwijzing wordt gegeven. Dan is geen expliciete opdracht nodig. Het kan voldoende zijn om iemand gericht van informatie te voorzien.

Daarom is de journalistiek interessantere vraag wie Balentien voedt. Wie levert documenten en verhalen aan? Wie attendeert hem op bepaalde dossiers? Met wie spreekt hij voordat zijn publicaties verschijnen? En wordt informatie die zijn favoriete actoren belast met dezelfde kritische maatstaf beoordeeld als informatie die tegen hun tegenstanders kan worden gebruikt?

Zolang daar geen antwoord op is, moet worden voorkomen dat de hypothese van sturing zelf tot een onbewezen beschuldiging wordt verheven. Dat zou precies de fout zijn die mijn commentaar bekritiseert. Maar hetzelfde geldt voor de andere richting: het zichtbare patroon hoeft ook niet te worden genegeerd omdat het ultieme bewijs voor coördinatie nog ontbreekt.

Het vonnis is eerder een begin dan een einde

De rechter hoefde dit netwerk van mogelijke informatievoorziening niet te onderzoeken. Het Gerecht hoefde alleen te beoordelen wat Balentien over Nijdam publiceerde en of voor die beschuldigingen een voldoende feitelijke grondslag bestond. Volgens de rechter was die er voor de verschillende ernstige aantijgingen niet. Balentien moet rectificeren en zijn uitlatingen verwijderen.

Daarmee is één principiële vraag beantwoord. Wie iemand ernstig beschuldigt, kan zich niet onbeperkt verschuilen achter de vrijheid van meningsuiting wanneer een voldoende feitelijke basis ontbreekt.

Maar een andere vraag blijft open. Wat gebeurt er vóórdat zo’n publicatie verschijnt? Waar komt de informatie vandaan, welke belangen zijn ermee gemoeid en waarom lijkt dezelfde commentator vrijwel steeds dezelfde actoren te beschermen en dezelfde tegenstanders te bestrijden?

Op Curaçao, waar politiek, bestuur, journalistiek en persoonlijke netwerken dicht op elkaar zitten, is dat geen theoretische kwestie. Juist in zo’n omgeving moet zichtbaar zijn waar informatie vandaan komt, welke belangen mogelijk meespelen en welke journalistieke controle erop is toegepast.

Misschien is Balentien simpelweg een onafhankelijke commentator met uitzonderlijk sterke persoonlijke voorkeuren. Misschien ontvangt hij informatie van mensen wier belangen aansluiten bij zijn eigen overtuigingen zonder dat sprake is van enige coördinatie. Misschien is er meer aan de hand.

Dat laatste is niet bewezen. Maar het patroon is inmiddels duidelijk genoeg om de vraag te stellen.

De lezer kan zelf kijken naar wie Balentien prijst, wie hij beschuldigt, wanneer zijn aanvallen intensiveren en wat er gebeurt wanneer hij om feitelijke onderbouwing wordt gevraagd. Het vonnis maakt één norm in ieder geval duidelijk: degene die wordt beschuldigd hoeft niet langer te bewijzen dat een onbewezen verhaal onwaar is.

De eerste verantwoordelijkheid ligt bij degene die het verhaal de wereld in brengt.

En juist daarom blijft na dit vonnis één vraag hangen: wie spreekt er eigenlijk wanneer Richeron Balentien spreekt?


269 keer gelezen

Deel dit artikel: