Veteraan Hans Goetzee stond 45 jaar klaar wanneer het militaire protocol tekortschoot

· - leestijd 7 minuten
Hans Goetzee met zijn draaginsigne 'Serviendo Laesus'. Dat is de Latijnse spreuk die 'verwond door te dienen' of 'gewond geraakt door te dienen' betekent
Hans Goetzee met zijn draaginsigne 'Serviendo Laesus'. Dat is de Latijnse spreuk die 'verwond door te dienen' of 'gewond geraakt door te dienen' betekent Foto: Dick Drayer

WILLEMSTAD – Veteraan Hans Goetzee heeft gisteren op Marinebasis Parera het Draaginsigne Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers gekregen. De erespeld is een erkenning voor de blijvende gehoorschade die hij tijdens zijn militaire loopbaan opliep. Bijzonder genoeg stond Goetzee zelf 45 jaar lang klaar voor militairen en hun gezinnen wanneer de dienst lichamelijk, psychisch of persoonlijk zijn tol eiste.


Als bedrijfsmaatschappelijk werker en later hoofd van die afdeling op Curaçao kwam hij juist in beeld wanneer het militaire protocol niet meer voldoende was. Wanneer een commandant niet precies wist wat hij moest doen, ouders in Nederland moesten worden gebeld, een weduwe en een kind moesten worden opgevangen of een militair na een missie niet zomaar terugkeerde naar het leven van daarvoor.

Goetzee ging zelf naar Afghanistan, maar bracht een belangrijk deel van zijn loopbaan door aan de achterkant van het militaire bedrijf. Daar leerde hij dat inzetbaarheid niet alleen wordt bepaald door wat er op een schip, kazerneterrein of missiegebied gebeurt. Soms staat een militair op papier klaar voor vertrek, terwijl thuis alles op instorten staat.

Jarenlang was het zijn werk om juist dan in te grijpen.

Als bedrijfsmaatschappelijk werker en later als hoofd van die afdeling op Curaçao ondersteunde hij militairen, maar nadrukkelijk ook hun partners en kinderen. Want een militair kan op papier inzetbaar zijn, zegt Goetzee, terwijl thuis alles op instorten staat.

Soms adviseerde hij daarom een commandant om iemand voorlopig niet op uitzending of oefening te sturen. In andere gevallen probeerde zijn team juist een gezin zo te ondersteunen dat de militair wél kon worden ingezet. Daarnaast was er de opvang na schokkende gebeurtenissen: slachtoffers, collega’s en nabestaanden.

Het avontuur begon op Aruba

Dat Goetzee uiteindelijk maatschappelijk werker bij Defensie zou worden, lag allerminst voor de hand toen hij in 1980 als dienstplichtig marinier begon.

Zijn broer was marinier geworden en had op Aruba gezeten. De verhalen die hij thuis vertelde, spraken Hans aan. Na zijn dienstplicht tekende hij daarom bij, met één nadrukkelijke wens: hij wilde alsnog naar Aruba.

Aruba 1982, oefenen met mortieren, Hans Goetzee (r)

Dat lukte.

Hij kwam er terecht als compagnieschrijver en ging vanuit Aruba mee op oefeningen naar Martinique en Guadeloupe. Voor iemand die naar eigen zeggen nauwelijks van huis was geweest, was het één groot avontuur. Later stapte hij over van het Korps Mariniers naar de vloot en voer hij onder meer op het fregat Bloys van Treslong.

Een kantelpunt kwam begin jaren negentig bij de Sociaal Medische Dienst van de marine. Daar zag Goetzee voor het eerst van dichtbij hoe artsen, psychiaters, maatschappelijk werkers en andere zorgverleners probeerden militairen die tijdelijk niet inzetbaar waren weer op de been te helpen.

Hij besloot zelf maatschappelijk werk te gaan studeren. Defensie gaf hem uiteindelijk de mogelijkheid een hbo-opleiding te volgen.

Het militaire avontuur kreeg daarmee een andere betekenis. Goetzee stond niet langer alleen midden in de organisatie, maar steeds vaker naast de mensen bij wie die organisatie zijn sporen had achtergelaten.

Afghanistan

In 2006 ging Goetzee zelf naar Afghanistan, tijdens de opbouw van de Nederlandse missie. Een jaar later werd hij hoofd Operationele Personeelszorg van de marine in Den Helder.

Met zijn team was hij verantwoordelijk voor de zorg rond militairen die operationeel werden ingezet: op zee, tijdens oefeningen en bij missies zoals Afghanistan en operaties rond Somalië. Het ging om voorbereiding en voorlichting, maar ook om nazorg en ondersteuning van het thuisfront. Goetzee noemt die zes jaar achteraf zijn mooiste functie bij Defensie.

Maar het was ook de periode waarin de oorlog zeer concreet Nederland binnenkwam. Militairen sneuvelden in Afghanistan. Anderen raakten gewond.

NATO medaille ontvangen tijdens missie Afghanistan in 2006, Hans Goetzee (m)

Goetzee herinnert zich de discussies over wat binnen Defensie wel de „sneuvelbereidheid” wordt genoemd.

Dat woord staat hem tegen.

„Volgens mij is niemand bereid om te sneuvelen”, zegt hij. Het risico hoort bij het beroep, vindt hij, maar dat maakt de gevolgen niet minder groot.

Juist daar ligt volgens hem het belang van goede personeelszorg. Wie militairen vraagt onder uitzonderlijke omstandigheden te functioneren, moet er ook zijn wanneer die omstandigheden hun tol eisen.

De manier waarop Defensie daarmee omgaat, veranderde bovendien in de loop van zijn carrière. Na vroege missies was opvang nog veel minder vanzelfsprekend. Later kwamen er adaptatieprogramma’s waarbij militairen na een missie eerst op een andere locatie tot rust konden komen voordat zij naar huis gingen. Daarna volgde verdere nazorg.

Een telefoontje om half één

Op Curaçao kreeg dat werk soms een zeer persoonlijk gezicht. Goetzee herinnert zich de nacht waarop hij werd gebeld na de dood van marechaussee Toon Brood. Hij woonde nog maar net in Julianadorp. Die avond had hij met zijn vrouw op het terras gezeten en over hun toekomst gepraat. Daarna ging hij naar bed.

Rond half één ging zijn telefoon.

Goetzee werd gevraagd te komen. Uiteindelijk reed hij naar de brigade, samen met een geestelijk verzorger. Daar kwamen de vrouw en zoon van Brood naartoe. Ook collega’s waren aangeslagen.

Op zulke momenten bestaan er protocollen, zegt Goetzee, maar neemt de emotie het over. Mensen die normaal beslissingen nemen, weten ineens niet meer welke stap eerst moet worden gezet.

Dan moet iemand zeggen: dit nummer moet worden gebeld, deze persoon moet in actie komen, deze familie moet worden geïnformeerd. De ouders van Brood moesten bijvoorbeeld het bericht krijgen. Ook dat behoort tot het werk van bedrijfsmaatschappelijk werk: familie informeren wanneer iemand is overleden, gewond of vermist.

Het zijn gebeurtenissen die volgens Goetzee nooit routine worden.

Er waren meer ernstige incidenten. Twee jonge militairen kwamen op Aruba om bij een auto-ongeluk. Na andere sterfgevallen moesten nabestaanden worden opgevangen en reizen en praktische zaken worden geregeld. Op Curaçao was zijn afdeling betrokken bij de gevolgen van een helikopterramp, maar ook bij drama’s die nooit de media haalden, zoals het plotselinge overlijden van een baby van een militair.

Het praktische werk lijkt soms bijna banaal tegenover het verlies: een ticket regelen, familie opvangen, contact opnemen met een uitvaartondernemer.

Maar juist daarin, zegt Goetzee, kun je iets betekenen.

De mensen die zijn overleden, krijg je er niet mee terug. „Wat we dan proberen is de nabestaanden zoveel mogelijk te ontzorgen.”

‘Maar je bent wel een mens’

Professionele afstand bewaren lukte niet altijd. Bij het ongeval op Aruba kende Goetzee de vader van een van de betrokken mariniers. De ene jongen was overleden, de andere lag in coma.

De gezinnen reisden naar Aruba. De moeder van de jongen die al was overleden, vroeg Goetzee op een bepaald moment hoe het met de andere militair ging.

Hij schoot vol.

Zijn eerste gedachte was dat dit eigenlijk niet professioneel was. Maar daarna volgde een constatering die veel zegt over het werk dat hij tientallen jaren heeft gedaan: „Maar je bent wel een mens.”

In een andere periode kreeg zijn team op Curaçao in slechts enkele maanden met vier overlijdens te maken. Goetzee en zijn collega zeiden op een gegeven moment tegen elkaar dat het nu wel even moest stoppen. Er was nauwelijks tijd om de ene gebeurtenis te verwerken voordat de volgende zich aandiende.

Daarmee kwam ook een andere vraag op tafel: Wie zorgt eigenlijk voor de zorgverlener?

Goetzee kon gebeurtenissen bespreken met collega’s. Toch heeft hij op Curaçao soms steun vanuit Nederland gemist. Na de helikopterramp had hij bijvoorbeeld een telefoontje verwacht van collega’s die zich in Nederland met personeelszorg bezighielden.

Dat kwam volgens hem niet.

Hij zegt het zonder veel verwijt. De afstand tot Nederland gaf hem tegelijk veel vrijheid. Twaalf jaar lang kon hij zijn werk op Curaçao grotendeels naar eigen inzicht organiseren. Maar die vrijheid betekende ook verantwoordelijkheid.

„Soms doet het wel iets meer met je dan je zou willen.”

Toen drie marinemensen werden gegijzeld

Op zondagavond in februari kreeg Hans Goetzee als hoofd Operationele Personeelszorg van de marine te horen dat drie bemanningsleden van een Nederlandse marinehelikopter in Afrika waren gevangengenomen tijdens een mislukte evacuatie. Nog voordat het nieuws naar buiten mocht, moest hij ervoor zorgen dat hun families werden geïnformeerd.

De drie naaste families kregen de volgende ochtend om zeven uur gelijktijdig bezoek van een bedrijfsmaatschappelijk werker van Defensie. Zij mochten alleen horen dat hun familielid gevangen was genomen en dat Nederland alles deed om hen vrij te krijgen. Ook moesten zij geheimhouding betrachten.

Vrijwel meteen bleek hoe moeilijk zo’n radiostilte in de praktijk is.

In hetzelfde weekend was een familielid van een van de drie overleden. De commandant van het helikoptersquadron belde Goetzee met de vraag of het betrokken bemanningslid voor de uitvaart naar Nederland zou komen. Toen begreep Goetzee dat zelfs die commandant nog niets wist van de gijzeling.

Van het marinehoofdkwartier kreeg hij opdracht te zeggen dat de militair „vanwege operationele redenen” niet kon terugkomen.

„Dat voelde niet helemaal goed”, zegt Goetzee achteraf.

De commandant belde vervolgens de ouders om hen te condoleren. In zijn emotie liet de vader vallen dat er een gijzeling gaande was, ondanks de afgesproken geheimhouding.

Voor Goetzee laat die gebeurtenis zien dat militaire geheimhouding en de werkelijkheid thuis soms moeilijk samengaan.

De drie bemanningsleden werden na twaalf dagen vrijgelaten.

Jaren later kreeg het verhaal voor Goetzee nog een vervolg. Een van de drie werkte toen in het Caribisch gebied en kreeg problemen in de thuissituatie. Volgens Goetzee werd aanvankelijk geoordeeld dat de militair wel naar Nederland mocht, maar op eigen kosten.

Goetzee vroeg of de eerdere gijzeling daarbij een rol speelde. Toen bleek dat dit wel degelijk meespeelde, zorgde hij ervoor dat de militair zonder eigen kosten naar huis kon.

Niet alle collega’s waren daar blij mee. Goetzee staat er nog altijd achter.

Voor hem illustreert de affaire waarom personeelszorg geen bijzaak is. Een militaire operatie kan in enkele minuten veranderen in een crisis, maar voor de mensen thuis begint dan pas het wachten.


Altijd bereikbaar

Goetzee noemt zichzelf nog altijd een marineman.

Rangen maken in de spreekkamer weinig indruk op hem. Of iemand nu matroos is of admiraal, zegt hij, voor hem hoort dat geen verschil te maken.

Zijn telefoon stond jarenlang vrijwel altijd aan. Ook ‘s avonds. Ook in het weekend.

Kort voor zijn vertrek werd hij nog rond middernacht gebeld door iemand die een telefoonnummer nodig had vanwege problemen met het thuisfront in Nederland. Goetzee nam op.

Samen met veteranen Rudy Dovale (met stok) en Larry Regales voorlichting gegeven op de Curaçao American school

Dat voortdurende „aanstaan” maakt de overgang naar zijn pensioen niet vanzelfsprekend. Hij zegt zelf dat hij eerst een beetje moet afkicken van het werk.

Na 45 jaar bij Defensie kijkt hij terug op wat hij zelf „één groot jongensboek” noemde. Als Defensie hem had gevraagd nog een jaar door te gaan, had hij dat naar eigen zeggen serieus overwogen. Tegelijkertijd vindt hij dat het goed is geweest.

Curaçao verlaat hij niet.

En helemaal stoppen met zorgen voor militairen lijkt evenmin waarschijnlijk.

Nog voor zijn pensionering werd hij door een veteranenvereniging gevraagd langs te gaan bij een veteraan met wie het slecht ging. Goetzee zei meteen dat hij dat zou doen. Niet meer als medewerker van Defensie.

„Dat doe ik gewoon als nulde-lijn-vrijwilliger.”

Hij verwacht dat hij op die manier betrokken blijft bij veteranen op Curaçao. Gisteren stond hij tijdens Veteranendag op Parera tussen de mensen voor wie hij een groot deel van zijn werkzame leven klaarstond.

Niet meer als hoofd bedrijfsmaatschappelijk werk. Maar wel als veteraan. En, zoals hij het zelf zegt, nog altijd als marineman.

Hans ontvangt het draaginsigne uit handen van Walter Hansen, commandeur Walter Hansen, Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied


154 keer gelezen

Deel dit artikel: