Essay: Hoe een kleedkamergebed de koloniale geschiedenis van Curaçao samenvat

· - leestijd 7 minuten WK26
Het Curaçaose voetbal elftal in de kleedkamer in Kingston
Het Curaçaose voetbal elftal in de kleedkamer in Kingston Illustratie: Thomas van Gaalen

KINGSTON - Vlak voor de belangrijkste wedstrijd uit de geschiedenis van Curaçao klinkt in de kleedkamer geen tactische bespreking, maar een gebed. „Laga nos bai pa viktoria, Señor”, zegt de materiaalman. De spelers antwoorden in koor. Het lijkt een ontroerend ritueel, maar volgens drie onderzoekers vertelt dit moment vooral een veel groter verhaal: over kolonialisme, religie en de manier waarop Curaçao zich een opgelegd verleden eigen maakte.


door | Karym Leito, Marie Keulen en Jan Bant

Het is 18 november 2025, even voor 21.00 uur in Kingston, Jamaica. In de kleedkamer van het Curaçaos voetbalelftal bouwt de spanning zich op. De materiaalman staat op het punt de spelersgroep en staf door het gebed te leiden ter voorbereiding op de belangrijkste wedstrijd uit de geschiedenis van het Curaçaose voetbal. Spelers en staf omhelzen elkaar, vormen een kring en buigen hun hoofden voor het gebed. De materiaalman zet in:

Tata, den nòmber di Hesus.

  • Vader, in de naam van Jezus.

Si Señor, antwoordt de groep.

  • Ja Heer.

Tata, ta bo yunan un biaha mas aki, Señor.

  • Vader, uw kinderen staan hier opnieuw, Heer.

Si Señor.

  • Ja Heer.

Abo ta ku nan, Señor.

  • Jij bent met hun, Heer.

Si Señor.

Nan ta ku abo, Señor.

  • Zij zijn met u, Heer.

Si Señor.

Bo nòmber ta wòrdu alsá, Señor.

  • Uw naam wordt gedragen, Heer.

Si Señor.

Laga nos bai pa viktoria, Señor.

  • Laat ons voor de overwinning gaan, Heer.

Si Señor.

Nos ta topa ku Dios den viktoria, Señor.

  • In de overwinning ontmoeten wij God, Heer.

Si Señor.

Bo no ta laga bo yunan na kaya, Señor.

  • U laat uw kinderen niet in de steek, Heer.

Si Señor.

E país ta kubo, Señor.

  • Het land is met u, Heer.

Si Señor.

Tur hende ta ku nos, Señor.

  • Iedereen is met ons, Heer.

Si Señor.

  • Dan sluit hij af:

Nos ta bai den nòmber di Hesus, i ki nos ta bisa?

  • Laat ons spelen in de naam van Jezus, en wat zeggen wij?

De kring antwoordt in één stem:

  • Amen!

Later die avond, na het eindsignaal, heeft Curaçao zich voor het eerst in de geschiedenis gekwalificeerd voor het Wereldkampioenschap voetbal. De spelers en staf, die euforisch over het veld rennen en elkaar in de armen vliegen, spraken voorafgaand aan deze historische prestatie het gebed uit dat inmiddels een vast ritueel is geworden van de wedstrijdvoorbereidingen.

De uitvoering van het gebed draagt sporen van religieuze en culturele praktijken die zich in de koloniale en post/koloniale geschiedenis van het eiland hebben gevormd [1].

De uitwisseling tussen de materiaalman en de groep volgt de structuur van een call-and-response (een antifoon), een expressievorm met wortels in West- en Centraal-Afrika die via de trans-Atlantische slavernij is overgeleverd. In de woorden van Paul Gilroy maakt deze praktijk deel uit van de Black Atlantic: een diasporische culturele ruimte waarin gemeenschap performatief wordt voortgebracht. Ook in de Curaçaose kleedkamer ontstaat die gemeenschap via ritme, herhaling en collectieve respons.

Dit gezamenlijke moment van bezinning biedt meer dan alleen een inkijk in de religieuze beleving van het Curaçaos voetbalelftal. Het laat zien hoe diep voetbal en christendom op Curaçao met elkaar verweven zijn. Die verwevenheid vindt haar oorsprong in het koloniale verleden van het eiland.

In de twintigste eeuw maakten zowel het christendom als het voetbal deel uit van een Nederlands koloniaal ‘beschavingsoffensief’, waarin sport en religie werden ingezet als instrumenten van disciplinering en normoverdracht. Het hedendaagse gebed van het Curaçaose elftal staat in scherp contrast met deze koloniale inzet. Wat ooit diende om koloniale normen en waarden op te leggen, is door Curaçaoënaars toegeëigend en getransformeerd tot een bron van kracht, collectieve identiteit en gemeenschapsvorming.

In dit essay reflecteren we op de geschiedenis van voetbal en christendom op Curaçao, hun koloniale erfenis en de wijze waarop beide praktijken in de loop van de tijd zijn toegeëigend. De kwalificatie van het Curaçaos voetbalelftal voor het Wereldkampioenschap vormt voor ons de aanleiding om vanuit onze verschillende expertises – sport en post/kolonialisme enerzijds, en het koloniale ‘beschavingsoffensief’ in de Cariben anderzijds – een blik te werpen op de verwevenheid van voetbal, christendom en post/kolonialisme. Op deze manier beogen we historische verdieping te bieden op de actualiteit.

Sport en kolonialisme in de Cariben

De relatie tussen het christendom en voetbal op Curaçao past binnen een bredere koloniale geschiedenis waarin sport fungeerde als instrument van macht. In de historiografie over het Britse imperialisme is overtuigend betoogd dat sport een centrale rol speelde in de overdracht van imperiale normen en waarden. De Australische sporthistoricus Brian Stoddart introduceerde hiervoor het begrip ‘cultural power’: sport droeg bij aan het succesvol verspreiden van een Britse levensstijl en imperiale cultuur.

Ook latere auteurs hebben de rol van sport binnen de Britse beschavingsmissie verder uitgewerkt en verdiept. Binnen de Nederlandse geschiedschrijving is daarentegen nog relatief weinig aandacht voor de plaats van sport binnen het koloniale project.

Binnen de Angelsaksische literatuur neemt cricket een bijzondere plaats in. Op de Brits-Caribische eilanden werd de sport geïntroduceerd in een sterk hiërarchische koloniale samenleving. De Engelse cultuur werd door de koloniale machthebbers stelselmatig als beter gezien dan de lokale culturen. Binnen dit systeem stond het spelen van cricket symbool voor het uitdragen van ‘Engelse’ waarden zoals zelfbeheersing, fair play en loyaliteit aan het rijk. Zoals Thomas Fletcher laat zien, werd sportieve competentie zelfs gekoppeld aan morele en culturele geschiktheid, en daarmee het zijn van een ‘good all-round Englishman’.

Als de lokale gemeenschappen in de Britse Cariben als gelijken erkend wilden worden door de koloniale machthebbers, dienden zij zich te conformeren aan de door hen opgelegde cultuur, inclusief cricket. Sport fungeerde zo niet alleen als vrijetijdsbesteding, maar als maatstaf voor beschaving en als voorwaarde voor erkenning binnen de koloniale orde.

Voetbal en het katholieke beschavingsoffensief

Voetbal vervulde op Curaçao een vergelijkbare functie binnen het Nederlandse koloniale project. De sport werd aan het einde van de negentiende eeuw geïntroduceerd door gestationeerde soldaten, matrozen en zonen van de protestantse Nederlandse elite. De verspreiding van de sport vond echter vooral plaats via de katholieke missie.

Met name de Fraters van Tilburg, die zich vanaf 1886 op het eiland vestigden en zich vooral toelegden op het jongensonderwijs, speelden hierin een sleutelrol. Voetbal werd door de fraters beschouwd als een vormende en disciplinerende sport die paste binnen de overtuiging dat de Curaçaose jeugd moest worden opgevoed tot ‘beschaafde’ koloniale burgers.

Toen de fraters zich op Curaçao vestigden, was een meerderheid van het eiland al katholiek. Het eiland kent een lange geschiedenis van katholicisme die teruggaat tot de Spaanse overheersing in de zestiende eeuw. In de aanloop en na de afschaffing van de slavernij in 1863 groeide de Rooms-Katholieke Kerk uit tot een belangrijk instituut binnen een nieuwe vorm van koloniaal bestuur gericht op het brengen van ‘beschaving’.

Via het onderwijs, jeugdzorg, gezondheidszorg en sport was de kerk alomtegenwoordig in het dagelijks leven van veel Curaçaoënaars. Nederlandse katholieke missionarissen legden daarbij hun eigen morele normen op het gebied van taal, huwelijk, gezinsleven, seksualiteit en opvoeding, met als doel fatsoenlijke, arbeidzame en gehoorzame koloniale burgers te vormen.

Binnen die context werd voetbal gezien als een vormend instrument voor lichaam, geest en ziel. Net als in de Britse public school-traditie gold de sport als middel om jongens discipline, zelfbeheersing en gemeenschapszin bij te brengen.

De fraters legden voetbalvelden aan bij hun scholen en internaten en richtten clubs op waarin religieuze en morele opvoeding werd voortgezet buiten het klaslokaal. De eerste in 1919 opgerichte club ‘Jong Holland’, verbonden aan de St. Vincentiusschool, droeg een veelzeggende naam die expliciet verwees naar het moederland. Later volgden onder meer R.K.S.V. Scherpenheuvel en SITHOC (Sint Thomas College) – verenigingen die tot op heden actief zijn in het Curaçaose voetbal.

<p><em>Spelers van de voetbalclub R.K.S.V. Scherpenheuvel met frater Tharasius Mutsaers op de voorgrond, met in de achtergrond het seminariegebouw Scherpenheuvel.</em></p>
Spelers van de voetbalclub R.K.S.V. Scherpenheuvel met frater Tharasius Mutsaers op de voorgrond, met in de achtergrond het seminariegebouw Scherpenheuvel. (Fotocollectie: Marcha 100 Aña di Futbòl Organisá na Kòrsou.)

Toe-eigening en verzet via voetbal

Sporten als cricket en voetbal in het Caribische gebied werden geïntroduceerd als instrumenten van koloniale disciplinering en vorming, maar ontwikkelden zich gaandeweg tot arena’s van identificatie en emancipatie. In de Britse Cariben werd cricket een medium waarin koloniale onderdanen zich konden meten met de imperiale macht.

De mogelijkheid om de Engelsen te verslaan in hun eigen spel werd opgevat als een manier om verzet te bieden tegen de koloniale overheersing. Een overwinning op het sportveld kon worden gezien als een symbolische overwinning op de koloniale hiërarchie zelf en vormde een tijdelijke disruptie van de status quo.

Een vergelijkbare dynamiek is zichtbaar in het Curaçaose voetbal, waar de sport in de loop van de twintigste eeuw een symbolische rol ging spelen in de relatie met Nederland. Voetbal ontwikkelde zich tot een populaire vrijetijdsbesteding en een culturele arena waarin machtsverhoudingen tussen Curaçao en Nederland werden bevraagd en betwist.

Wedstrijden tussen het Curaçaose elftal en Nederlandse teams in de jaren veertig en vijftig waren momenten waarop Curaçaoënaars de koloniale macht konden uitdagen op een ogenschijnlijk gelijk speelveld. Te midden van de veranderlijke staatkundige positie van Curaçao binnen het Koninkrijk der Nederlanden fungeerde het voetbal, zoals Marjet Derks stelt, als ‘onderdeel van een voortdurende golfbeweging tussen Nederland en de (voormalige) koloniën’.

Tegen deze achtergrond krijgt het gebed in de kleedkamer van het hedendaagse Curaçaose elftal een diepere betekenis. Wat ooit onderdeel was van een koloniaal beschavingsoffensief – christendom, discipline, sport – is niet simpelweg overgenomen, maar toegeëigend en opnieuw gedefinieerd. In het call-and-response-ritueel wordt gemeenschapszin niet opgelegd, maar collectief voortgebracht.

Culturele praktijken worden niet enkel overgenomen, maar getransformeerd en opnieuw betekenis gegeven. Daarmee heeft voetbal zich ontwikkeld tot wat het vandaag is: een medium waarin Curaçaoënaars, zowel op het eiland als in de diaspora, op symbolische wijze gevoelens van nationale trots, emotionele verbondenheid en collectieve identiteit uitdrukken.


  1. In deze tekst gebruiken de auteurs post/koloniaal (met een schuine streep) om te verwijzen naar de periode na de formele dekolonisatie. Dat doen zij om aan te geven dat, hoewel de koloniale periode officieel voorbij is, de gevolgen ervan nog dagelijks zichtbaar en voelbaar zijn. Hierin bouwen zij voort op het werk van de sportsocioloog Ben Carrington, die schrijft: ‘My use of the virgule is deliberate and meant to signal that the moment ‘after’ the colonial is itself caught in ambivalent tension between, on the one hand, the surpassing of formal colonial governance, and on the other, the continuance of neocolonial relations. The virgule can mean ‘or’ as in a divide between two different worlds. It can also be used to mean ‘and’ implying a strong association.’ Zie: Ben Carrington, Race, Sport and Politics: The Sporting Black Diaspora (Londen 2010)

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op https://extempore.nl


154 keer gelezen

Deel dit artikel: