Waarom ruim 3.200 Curaçaoënaars Martina heten – en wat die naam niet vertelt

· - leestijd 10 minuten
Namenmap van Curaçao, gemaakt door kunstenaar Avantia Damberg
Namenmap van Curaçao, gemaakt door kunstenaar Avantia Damberg

WILLEMSTAD – Martina is met 3.218 registraties de meest voorkomende officiële familienaam op Curaçao. Dat blijkt uit een nieuwe ranglijst van het Centraal Bureau voor de Statistiek, gebaseerd op gegevens uit het bevolkingsregister van 2025. Achter de cijfers gaat een veel bredere geschiedenis schuil: van familieverbanden en katholieke doopnamen tot slavernij, koloniale registratie en migratie. Daarbij vertellen de officiële archieven vooral welke namen de overheid erkende – niet altijd welke namen mensen zelf gebruikten of hoe zij hun familiegeschiedenis beleefden.


Op ruime afstand van Martina staat Martis op de tweede plaats, met 1.518 geregistreerde personen. Daarna volgen Jansen met 929, Maduro met 886, Hooi met 687, Sambo met 685, Martha met 675, Francisca met 618, Maria met 616 en Isenia met 580 registraties.

De tien meest voorkomende namen worden samen door 10.412 mensen gedragen. Dat komt overeen met ongeveer 6,6 procent van de huidige bevolking. Alleen al Martina staat bij ongeveer twee procent van de inwoners geregistreerd: ruwweg één op de vijftig Curaçaoënaars.

Dat maakt Martina echter niet automatisch tot één grote familie. Dezelfde achternaam kan op verschillende momenten en op verschillende plaatsen zijn ontstaan. Mensen met dezelfde naam hoeven daarom geen aantoonbare recente voorouders te delen.

Wat telt het CBS precies?

Het CBS baseert de ranglijst op de officiële inschrijving in het bevolkingsregister, Kranshi. Getrouwde vrouwen staan daarin geregistreerd onder hun eigen geboortenaam. Het gaat dus om de juridisch vastgelegde familienaam en niet noodzakelijk om de naam die iemand in het dagelijks leven gebruikt.

Dat onderscheid is op Curaçao belangrijk. Naast officiële voor- en achternamen spelen roepnamen, bijnamen en namen waarmee complete families of familietakken in de gemeenschap bekendstaan een grote rol. Die sociale namen zijn niet altijd terug te vinden in het bevolkingsregister.

De statistiek laat daardoor zien hoe de overheid de bevolking registreert. Zij geeft niet automatisch een volledig beeld van de manier waarop Curaçaoënaars zichzelf, hun familie of hun afkomst benoemen.

Ook migratie beïnvloedt de ranglijst. De cijfers omvatten iedereen die in 2025 met een bepaalde achternaam in het bevolkingsregister stond, ongeacht waar die persoon of diens ouders zijn geboren. De lijst is daarom zowel een weerspiegeling van de Curaçaose geschiedenis als een momentopname van de huidige bevolking.

Vrouwelijke voornamen werden familienamen

Opvallend is dat een groot deel van de top tien bestaat uit namen die ook als voornaam voorkomen. Martina, Martha, Francisca en Maria zijn daarvan de duidelijkste voorbeelden. Ook Martis is waarschijnlijk afgeleid van een persoons- of doopnaam.

Op de Caribische eilanden komen relatief veel matroniemen voor: familienamen die zijn afgeleid van de naam van een vrouwelijke voorouder. Het Centrum voor Familiegeschiedenis, het CBG, noemt onder meer Martina, Martha, Francisca, Cicilia, Mercelina en Rosalia als voorbeelden.

Dat patroon hangt samen met de bijzondere positie van vrouwen binnen Curaçaose familieverbanden. In de koloniale administratie werden de moeder en haar kinderen doorgaans wel met elkaar verbonden, terwijl de vader van een tot slaaf gemaakt kind juridisch buiten beeld bleef.

In het Curaçaose slavenregister werd bij een ingeschreven persoon de naam van de moeder vermeld, maar niet die van de vader. Mensen in slavernij konden volgens het koloniale recht niet rechtsgeldig trouwen. Daardoor bestond er administratief geen erkende vader-kindrelatie.

De afwezigheid van vaders in het register betekent uiteraard niet dat er geen vaders, partners of familieverbanden waren. Het betekent vooral dat de koloniale overheid die relaties niet als juridisch relevant erkende.

De registers vertellen daardoor minder over het werkelijke gezinsleven dan soms wordt aangenomen. Ze tonen in de eerste plaats welke familiebanden de koloniale staat wel en niet wilde vastleggen.

Familie bestond al vóór de registratie

De geschiedenis van Curaçaose familienamen begint niet op het moment dat een koloniale ambtenaar een naam opschreef. Families, verwantschappen en gemeenschappen bestonden al veel eerder.

Tot slaaf gemaakte mensen hadden onderling ouders, kinderen, grootouders, partners en andere verwanten. Zij herkenden elkaar via afkomst, persoonlijke namen, doopnamen, roepnamen en waarschijnlijk ook via benamingen die niet in de officiële administratie terechtkwamen.

Veel van die kennis is verloren gegaan of alleen binnen families mondeling doorgegeven. Koloniale bronnen vermelden vooral de gegevens die voor eigenaren en overheid van belang waren: bezit, geboortejaar, verkoop, overlijden, vrijlating en de naam van de moeder.

Dat de oorspronkelijke Afrikaanse of binnen de gemeenschap gebruikte namen vaak ontbreken, bewijst niet dat ze niet bestonden. Het laat vooral zien dat de mensen die de registers aanlegden er weinig belangstelling voor hadden.

Een archief is daarom geen neutrale spiegel van het verleden. Het is ook een product van de machtsverhoudingen waarin het werd gemaakt.

Namen bij de emancipatie

Een belangrijk moment in de officiële naamgeschiedenis was 1 juli 1863, toen Nederland de slavernij in Suriname en op de Caribische eilanden afschafte.

De mensen die op Curaçao uit slavernij vrijkwamen, moesten vanaf dat moment met een officiële voor- en achternaam worden opgenomen in de burgerlijke administratie. Daarvoor werden Registers der vrijgelatenen aangelegd, tegenwoordig meestal emancipatieregisters genoemd.

Volgens het Nationaal Archief kregen de vrijgemaakten bij de emancipatie een achternaam. In sommige gevallen werd ook de voornaam veranderd, maar dat gebeurde op Curaçao minder vaak dan in Suriname.

De registratie maakte een familienaam erfelijk en juridisch herkenbaar. Maar het is niet in alle gevallen duidelijk wie die naam bepaalde.

In het stadsdistrict werden de achternaam, voornaam en het geboortejaar van iedere vrijgemaakte persoon geregistreerd. Daarnaast werd de naam van de voormalige eigenaar genoteerd.

In het derde district kregen voormalige slaveneigenaren in mei 1863 een formulier toegestuurd. Daarop moesten zij vermelden welke mensen zij in bezit hadden en welke achternaam die mensen na 1 juli zouden dragen.

Daarmee werd de overgang naar formele vrijheid nog altijd vastgelegd binnen een systeem waarin voormalige eigenaren invloed uitoefenden. Sommige mensen zullen mogelijk zelf of samen met familieleden een naam hebben gekozen. Andere namen kunnen door eigenaren of ambtenaren zijn voorgesteld of opgelegd. De beschikbare bronnen maken dat onderscheid niet altijd duidelijk.

De officiële naamgeving van 1863 kan daarom niet uitsluitend worden gepresenteerd als het moment waarop naamloze mensen plotseling een identiteit kregen. De mensen hadden al een identiteit, een familie en een geschiedenis. De koloniale overheid besloot vanaf dat moment vooral onder welke naam zij juridisch zouden worden erkend.

Geen volledige vrijheid

Ook de term emancipatie verdient uitleg. Op 1 juli 1863 eindigde de wettelijke status van mensen als bezit. Daarmee verdwenen de sociale en economische gevolgen van de slavernij niet.

De voormalige eigenaren ontvingen een financiële vergoeding van de Nederlandse staat. De vrijgemaakten zelf kregen geen compensatie voor het werk dat zij en eerdere generaties onder dwang hadden verricht.

Veel vrijgemaakte Curaçaoënaars bleven bovendien economisch afhankelijk van dezelfde samenleving waarin bezit, grond, onderwijs en politieke macht sterk ongelijk waren verdeeld. Een officiële achternaam bood juridische erkenning, maar betekende niet automatisch sociale gelijkheid of volledige zeggenschap over het eigen leven.

Dat maakt de namen uit de emancipatieregisters tot beladen erfgoed. Zij kunnen symbool staan voor familiecontinuïteit en overleving, maar ook herinneren aan een overheid die mensen eerst hun juridische familiebanden ontzegde en vervolgens bepaalde hoe die banden officieel moesten worden geregistreerd.

Onvolledig archief

Niet alle emancipatieregisters van Curaçao zijn bewaard gebleven. Het eiland was in 1863 verdeeld in vijf districten, maar alleen de registers van het eerste en derde district resteren.

In die twee registers staan 4.208 vrijgemaakte personen. Dat is naar schatting ongeveer zestig procent van het totaal. Ongeveer 2.750 mensen ontbreken doordat de registers van de andere districten verloren zijn gegaan.

Daardoor is het niet altijd mogelijk een huidige familienaam rechtstreeks te verbinden aan de eerste persoon die de naam officieel droeg.

Het Curaçaose slavenregister over de periode 1839 tot 1863 is vollediger. Daarin staan ongeveer 21.500 inschrijvingen. Omdat mensen na verkoop opnieuw werden ingeschreven, gaat het volgens het Nationaal Archief om ongeveer 13.000 verschillende personen.

Ook dit register kent beperkingen. Mensen die eigendom waren van de koloniale overheid, de zogenoemde gouvernementsslaven, werden er niet of niet volledig in opgenomen. Bovendien registreerde het systeem mensen als bezit van personen of organisaties. Hun eigen stem, herinneringen en persoonlijke opvattingen zijn vrijwel nergens vastgelegd.

Wie vandaag onderzoek doet naar een Curaçaose familie moet daarom verschillende bronnen combineren: geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten, doopboeken, manumissiedocumenten, emancipatieregisters, notariële stukken, kranten en mondelinge familiegeschiedenissen.

Juist die laatste bron is belangrijk, omdat officiële documenten vooral de blik van kerk en overheid bewaren.

Ook namen van vóór 1863

Niet iedere Afro-Curaçaose familienaam ontstond op 1 juli 1863. Mensen konden vóór de algemene afschaffing individueel uit slavernij worden vrijgelaten. Dat werd manumissie genoemd.

Bij zo’n vrijlating ontving iemand een vrijbrief en doorgaans ook een officiële achternaam. Die naam kon vervolgens aan kinderen worden doorgegeven. Sommige namen waren daardoor al tientallen jaren vóór de algemene emancipatie in gebruik.

Daarnaast leefde op Curaçao vóór 1863 al een vrije zwarte en gemengde bevolking. Ook deze Curaçaoënaars kwamen in kerkelijke, notariële en burgerlijke documenten voor.

De samenleving bestond dus niet uit twee eenvoudig afgebakende groepen van witte eigenaren en zwarte mensen in slavernij. Er waren uiteenlopende posities, kleuren, juridische statussen, religies en economische omstandigheden. Dat neemt de centrale rol van raciale ongelijkheid niet weg, maar maakt de ontstaansgeschiedenis van familienamen wel ingewikkelder.

Katholieke namen, Curaçaose betekenis

De aanwezigheid van Martina, Martis, Martha, Francisca en Maria wijst op de grote invloed van het rooms-katholicisme. Mensen kregen bij hun doop vaak christelijke of Latijnse namen, waaronder namen van heiligen.

Maar dat betekent niet dat het katholieke naamgebruik uitsluitend van Europese geestelijken naar een passieve bevolking werd overgebracht. Curaçaoënaars namen namen over, pasten ze aan, spraken ze uit binnen het Papiamentu en gaven er binnen hun eigen families betekenis aan.

Een opgelegde of bij de doop ontvangen naam kon door gebruik en overdracht een eigen Curaçaose identiteit krijgen. Wat begon als kerkelijke registratie kon uitgroeien tot een naam waarmee generaties zich verbonden voelden.

Het CBG wijst erop dat Martinus op Curaçao populairder werd na de komst van missionaris Martinus Niewindt in 1824. Dat kan een deel van de verspreiding verklaren. Maar het huidige voorkomen van Martina en Martis is niet uitsluitend aan één missionaris of kerkelijke ontwikkeling toe te schrijven.

De namen zijn gedurende generaties door Curaçaose families zelf gedragen en doorgegeven. Daarmee zijn zij niet alleen resten van koloniale of kerkelijke naamgeving, maar ook onderdeel geworden van de lokale identiteit.

Niet iedere Martina is familie

De overeenkomst tussen Martina, Martis en Martha bewijst niet dat de naamdragers aan elkaar verwant zijn. Dezelfde populaire doopnaam kan in verschillende families onafhankelijk als achternaam zijn vastgelegd.

Dat geldt ook voor Maria en Francisca. Een naam kan in 1863 aan meerdere families zijn gegeven, maar ook eerder bij afzonderlijke manumissies zijn ontstaan.

Om te bepalen of twee naamdragers een gemeenschappelijke voorouder hebben, is genealogisch onderzoek nodig. Daarbij moet vanuit de meest recente aktes generatie voor generatie worden teruggewerkt. Alleen de overeenkomst van een achternaam is onvoldoende bewijs.

Bovendien kunnen binnen één biologische familie verschillende achternamen voorkomen. Kinderen kregen niet altijd dezelfde naam als hun vader. Erkenning, geboorte buiten een huwelijk, huwelijk, adoptie en naamswijziging konden tot verschillende familienamen binnen dezelfde familiekring leiden.

Jansen en de Nederlandse aanwezigheid

Jansen, de nummer drie op de CBS-lijst, behoort van oorsprong tot de Nederlandse patroniemen. De naam betekende aanvankelijk zoon van Jan en werd later een vaste familienaam.

Het grote aantal Jansens op Curaçao kan samenhangen met de eeuwenlange Nederlandse aanwezigheid, met gemengde familielijnen en met migratie vanuit Nederland. Ook kan dezelfde naam in verschillende periodes onafhankelijk op het eiland terechtgekomen zijn.

De naam zegt op zichzelf echter niet dat iedere Curaçaose Jansen een recente Nederlandse of witte voorouder heeft. Een Europese achternaam kan door erkenning, huwelijk, koloniale naamgeving en andere familiegeschiedenissen bij zeer uiteenlopende Curaçaose families terecht zijn gekomen.

De vorm van een naam vertelt daarom niet automatisch hoe de naamdrager zichzelf identificeert.

Maduro en de Sefardisch-Joodse geschiedenis

Maduro vertegenwoordigt een andere historische laag. Het is een Iberische familienaam die nauw verbonden is met de Sefardisch-Joodse aanwezigheid op Curaçao.

Sefardische Joden vestigden zich vanaf de zeventiende eeuw op het eiland. Velen waren eerder uit Spanje en Portugal verdreven en kwamen via Nederland of Brazilië naar het Caribisch gebied. Namen als Maduro, Senior, Henriquez, Jesurun, Capriles en Penso herinneren aan deze geschiedenis.

De Joodse gemeenschap speelde een belangrijke rol in handel, scheepvaart, financiële dienstverlening en de ontwikkeling van Willemstad. Tegelijk maakte een deel van deze gemeenschap deel uit van de koloniale economie en waren sommige families betrokken bij het bezit van tot slaaf gemaakte mensen.

Ook deze geschiedenis bevat dus meerdere perspectieven: vervolging en migratie aan de ene kant, en deelname aan een koloniale samenleving aan de andere.

Dat 886 mensen officieel Maduro heten, betekent niet automatisch dat zij allemaal tot één rechtstreeks aantoonbare familietak behoren. Namen konden zich via huwelijk, erkenning, migratie en andere relaties verder verspreiden.

Voorzichtig met Hooi, Sambo en Isenia

Bij Hooi, Sambo en Isenia is de exacte oorsprong minder eenvoudig vast te stellen.

Het CBG noemt Hooi als een typisch Antilliaans-Caribische naam die historisch nauwelijks in Nederland voorkwam. Daarmee is nog niet bewezen hoe iedere familie Hooi aan haar naam kwam. Verschillende familietakken kunnen een verschillende oorsprong hebben.

Ook bij Sambo is voorzichtigheid nodig. Het woord werd in verschillende koloniale samenlevingen als raciale categorie gebruikt. Alleen de overeenkomst met dat historische woord bewijst echter niet dat iedere Curaçaose familielijn Sambo daaraan haar naam ontleent. Daarvoor moeten de oorspronkelijke emancipatie-, manumissie- en burgerlijkestandakten worden onderzocht.

Isenia lijkt op een persoonsnaam en kan beïnvloed zijn door een katholieke of Spaans-Caribische naamtraditie. Ook hier kan zonder onderzoek niet met zekerheid worden vastgesteld waar en wanneer de naam voor het eerst als erfelijke familienaam werd gebruikt.

Een taalkundige verklaring is niet hetzelfde als familiegeschiedenis. De vermoedelijke betekenis van een naam kan een aanwijzing geven, maar de aktes en verhalen van de familie moeten uitwijzen hoe die naam werkelijk werd verkregen en doorgegeven.

Migratie veranderde het namenlandschap

De Curaçaose namenvoorraad is veel gevarieerder dan de top tien laat zien. In de achternamen van de huidige bevolking zijn eeuwen van handel, kolonisatie en migratie terug te vinden.

Er zijn namen met Nederlandse, Iberische, Sefardisch-Joodse, Afrikaanse, Latijns-Amerikaanse en Caribische wortels. Andere namen kwamen met migranten uit Aruba, Bonaire, de Bovenwindse eilanden, Suriname, Venezuela, Colombia, de Dominicaanse Republiek, Haïti, Jamaica, Madeira, Libanon en China.

Vooral de komst van de olieraffinaderij in de twintigste eeuw trok duizenden arbeidsmigranten naar Curaçao. Veel van hen vestigden zich blijvend op het eiland en hun kinderen en kleinkinderen werden onderdeel van de Curaçaose samenleving.

Een naam die oorspronkelijk van elders kwam, kan daardoor inmiddels al generaties lang als Curaçaos worden ervaren.

De familie achter de naam

De CBS-ranglijst roept uiteindelijk meer vragen op dan zij beantwoordt.

Hoeveel afzonderlijke familielijnen dragen de naam Martina? Wanneer verschijnt de naam voor het eerst in Curaçaose documenten? Welke verhalen vertellen families zelf over hun afkomst? Welke roepnamen of familienamen worden binnen de gemeenschap gebruikt, maar staan niet bij Kranshi? En in hoeverre wijkt die mondelinge geschiedenis af van de koloniale administratie?

De officiële registers zijn onmisbaar om zulke vragen te onderzoeken. Maar zij mogen niet als het volledige verhaal worden beschouwd. Ze laten zien wanneer de overheid een naam opschreef en juridisch erkende. Ze vertellen veel minder over welke namen mensen daarvoor zelf gebruikten, hoe zij hun verwantschap beleefden en welke betekenis zij later aan hun familienaam gaven.

De nieuwe CBS-lijst laat daarmee niet alleen zien dat Martina de meest geregistreerde achternaam van Curaçao is. Zij laat ook zien hoe familie, geloof, koloniale macht en migratie tot op de dag van vandaag in de namen van Curaçaoënaars samenkomen.

Een achternaam kan zijn oorsprong hebben in een systeem dat mensen hun vrijheid en juridische familiebanden ontnam. Maar dezelfde naam kan vervolgens door generaties zijn toegeëigend, gekoesterd en doorgegeven.

Daarmee is een naam niet uitsluitend een overblijfsel van onderdrukking. Hij kan tegelijk een teken zijn van continuïteit, overleving en Curaçaose identiteit.


589 keer gelezen

Deel dit artikel: