
‘WILLEMSTAD - De afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863 bracht juridische vrijheid, maar geen economische zelfstandigheid. Bob Harms betoogt dat vrijgemaakten zonder grond, kapitaal of bestaanszekerheid achterbleven, terwijl wetgeving en het systeem van paga tera hun afhankelijkheid van voormalige eigenaren in stand hielden.
door | Bob Harms
Op 1 juli 1863 werd de slavernij formeel afgeschaft op Curaçao, Bonaire, Aruba, Sint Eustatius, Saba en Sint Maarten. Die datum markeerde een grote juridische verandering: een mens kon wettelijk niet langer eigendom van een ander mens zijn.
Maar wie de Emancipatiewet van 8 augustus 1862 leest – de Wet houdende opheffing der slavernij op de eilanden Curaçao, Bonaire, Aruba, St. Eustatius, Saba en St. Martin – ziet iets opmerkelijks. Nog voordat vrijheid werkelijkheid werd, had het koloniale bestuur al een juridische basis gelegd om vrijgemaakten binnen een systeem van goedkope arbeid, afhankelijkheid en controle te houden.
Lediggang en zwerverij
Artikel 21 van die wet bepaalde dat ‘lediggang en zwerverij’ strafbaar zouden worden gesteld in een later vast te stellen algemene verordening. Mensen zonder vast werk of zonder erkende vaste woonplaats konden daarmee worden behandeld als een probleem van openbare orde. Dezelfde wet die de slavernij afschafte, maakte dus ook controle mogelijk over degenen die hun vrijheid hadden gekregen.
Daarin ligt de grote onrechtvaardigheid. Wie vrij werd verklaard, kreeg geen grond om op te wonen of te verbouwen. Geen geld om een nieuw bestaan op te bouwen. Geen compensatie voor 229 jaar slavernij. En geen rechtvaardige economische basis om die vrijheid werkelijk vorm te geven.
Gedurende 229 jaar waren hun arbeid, lichamen, tijd, kennis en kracht ingezet om rijkdom voor anderen te creëren: voor koloniale infrastructuur, landhuizen, handel en zeevaart, landbouw en publieke werken. Maar bij de afschaffing ontvingen zij niets. De voormalige eigenaren kregen wel geld: 200 gulden voor iedere persoon die op papier werd vrijgemaakt.
Fictieve vrijheid
Maar vrijheid zonder bestaanszekerheid is een fictieve vrijheid. Zonder grond, woonplek of kapitaal, en met blijvende afhankelijkheid van voormalige shons of plantage-eigenaren, begon niemand als gelijkwaardige burger aan een nieuw leven.
Op Curaçao ontstond na 1863 het systeem van paga tera. Mensen konden wonen of planten op de grond van de plantage waar zij tot slaaf waren gemaakt. Daar stond echter iets tegenover: zij moesten werken, verplichtingen nakomen en afhankelijk blijven van de grondeigenaar.
Die afhankelijkheid was niet alleen economisch, maar ook sociaal en administratief. Vrijgemaakten konden op een stuk grond van de plantage blijven wonen, maar moesten de eigenaar in natura betalen: een deel afstaan van wat zij verbouwden, enkele dagen per maand onbetaald werken en beschikbaar blijven voor arbeid ten behoeve van de grondeigenaar. Hun vrijheid bleef daardoor in de praktijk beperkt.
Grondeigenaar
Dat werd nog schrijnender wanneer iemand een eigen stuk grond wilde kopen. Het verzoek moest via de districtsmeester lopen, die vervolgens de plantage-eigenaar of grondeigenaar raadpleegde. Die wens werd vaak gefrustreerd met het argument dat de voormalige slaaf nog nodig was als arbeidskracht, dat zijn onafhankelijkheid de beschikbaarheid van arbeid zou verminderen, of dat hij niet geschikt of betrouwbaar genoeg zou zijn om grondeigenaar te worden.
Zo beperkte paga tera niet alleen de toegang tot grond, maar hield het vrijgemaakten ook in een positie van sociale, economische en administratieve afhankelijkheid.
Juist daarom is artikel 21 zo belangrijk. Het laat zien dat de gevolgen van 229 jaar slavernij voor het koloniale bestuur geen kwestie waren van herstel, rechtvaardigheid of het opbouwen van een nieuw bestaan. Integendeel: de armoede van voormalige slaafgemaakten werd vooral gezien als een risico voor openbare orde, arbeid en koloniale controle.
Wie niet paste binnen de arbeidsdiscipline die het koloniale systeem eiste, werd beschouwd als ‘lui’ of als iemand zonder vaste grond onder de voeten. Armoede werd zo niet erkend als erfenis van slavernij, maar behandeld als persoonlijk falen of zelfs als strafbaar gedrag.
Beperkte vrijheid
De geschiedenis van 1 juli is daarom niet alleen een geschiedenis van bevrijding op papier. Het is ook de geschiedenis van een vrijheid die vanaf het begin werd beperkt: door wetgeving, door een gebrek aan middelen om een waardig bestaan op te bouwen en door koloniale angst voor de autonomie van zwarte mensen.
Wie vandaag over emancipatie spreekt, moet daarom ook spreken over bestaanszekerheid, herstel en de langdurige gevolgen van een systeem dat eerst armoede creëerde en vervolgens de weg bereidde om diezelfde armoede te bestraffen.
Bob Harms is zelfstandig adviseur en gecertificeerd teamcoach. Daarnaast publiceert en spreekt hij regelmatig over het Curaçaose slavernijverleden, Afro-Curaçaose spiritualiteit, erfgoed en de doorwerking van koloniale verhoudingen.
Voor dit ingezonden stuk zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Rose Mary Allen, Di ki manera? A social history of Afro-Curaçaoans, 1863–1917 (Amsterdam: SWP Publishers, 2007); Luc Alofs, Slaven zonder plantage: (kinder-)slavernij en emancipatie op Aruba (3e herziene en uitgebreide druk, Aruba: Charuba, 2013); Centraal Bureau voor de Statistiek, Op 1 juli 1863 47 duizend slaven vrijgemaakt in Suriname en op de Antillen (1 juli 2013); Nederland, Wet van 8 augustus 1862, houdende opheffing der slavernij op de eilanden Curaçao, Bonaire, Aruba, St. Eustatius, Saba en St. Martin, Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, nr. 165 (1862); Jhr. C.A. van Sypesteyn, Afschaffing der slavernij in de Nederlandsche West-Indische koloniën, uit officiële bronnen zamengesteld (’s-Gravenhage: Gebroeders Belinfante, 1866).



































