Slavernijherdenking krijgt op Curaçao actuele lading door discussie over Ser’i Neger

· - leestijd 1 minuut
Afbeelding

WILLEMSTAD – Terwijl wereldwijd zondag wordt stilgestaan bij de slavenhandel en de afschaffing ervan, staat op Curaçao opnieuw de vraag centraal hoe tastbare plekken uit die geschiedenis moeten worden bewaard. De discussie over Ser’i Neger, waar tijdens de opstand van Tula in 1795 werd gevochten, is inmiddels ook in het parlement beland.


Op 23 augustus wordt jaarlijks de Internationale Dag ter Herinnering aan de Slavenhandel en de Afschaffing ervan gehouden. UNESCO koos de datum vanwege de opstand die in de nacht van 22 op 23 augustus 1791 begon in Saint-Domingue, het huidige Haïti. Die opstand speelde een belangrijke rol in de strijd tegen slavernij en de trans-Atlantische slavenhandel.

Volgens UNESCO moet de herdenkingsdag niet alleen slachtoffers en vrijheidsstrijders in herinnering houden, maar ook ruimte bieden om na te denken over de oorzaken en gevolgen van de slavenhandel en de historische verbindingen die daardoor ontstonden tussen Afrika, Europa, de Amerika’s en het Caribisch gebied.

Slavernij ook in Nederland

Nieuw historisch-juridisch onderzoek onderstreept daarbij dat slavernij niet alleen een geschiedenis van de Nederlandse koloniën is.

In The Legal Framework of Slavery in the Dutch Republic and Its Colonies onderzoekt rechtsgeleerde Bastiaan van der Velden hoe het recht rondom slavernij functioneerde in de Republiek en in gebieden waaronder Curaçao en Suriname. Het onderzoek laat zien dat tot slaaf gemaakte mensen ook naar de Republiek werden gebracht en daar niet automatisch als vrije personen werden beschouwd. Tot 1811 kon het eigendomsrecht van een slavenhouder juridisch zwaarder wegen dan de persoonlijke vrijheid van een tot slaaf gemaakte.

Een concreet voorbeeld daarvan zijn twee niet bij naam genoemde tot slaaf gemaakte mensen die op 24 juni 1730 vanuit Paramaribo naar Holland vertrokken. Zij reisden als eigendom van Juda Abrahams aan boord van het schip Koningin Elisabeth, onder kapitein Pieter Rolff.

Juist zulke individuele geschiedenissen maken zichtbaar dat de trans-Atlantische slavernij niet ophield bij de grenzen van de plantagekoloniën.


231 keer gelezen

Deel dit artikel: