‘Van hotel tot bar’: Ko van Geemert laat literair Willemstad herleven

WILLEMSTAD – Schrijver en journalist Ko van Geemert heeft afgelopen week in het Nationaal Archief een literaire wandeling door Willemstad gepresenteerd, waarbij hij het publiek meenam van het Avila Beach Hotel tot de Netto Bar aan de hand van boeken, citaten en herinneringen van schrijvers die de stad door de jaren heen hebben beschreven. Hij deed dat op verzoek van Vrienden van het Nationaal Archief Curaçao.
De lezing, getiteld ‘Van het Avila hotel tot de Netto bar – een wandeling langs boeken’, is gebaseerd op zijn boek Dushi Willemstad uit 2013. Daarin beschrijft Van Geemert wandelingen door Punda en Otrobanda aan de hand van literaire en journalistieke teksten. Tijdens de avond verweeft hij die fragmenten met persoonlijke anekdotes en historische toelichting.
De denkbeeldige route begint bij het Avila Beach Hotel, waar Van Geemert een passage voorleest van schrijver Boeli van Leeuwen.
“Ik heb eens tegen de bar van het Avila Beach Hotel geleund een verhelderend gesprek afgeluisterd tussen minister Jan de Koning en vakbondsleider Errol Cova. Ze hadden allebei een stevige borrel op en hetgeen bijdroeg tot een oude-jongens-onder-mekaar sfeer.”
Beide heren waren het volgens Van Geemert overigens eens over de voortreffelijke kwaliteiten van de Surinaamse vrouw, waarmee hij de sfeer van politieke en culturele ontmoetingen in het hotel illustreert.
In de Penstraat haalt hij herinneringen aan van Michael Visman, die in zijn boek Mijn jeugd op Curaçao het buitenhuis Vianen beschrijft, aan het einde van de stad waar Marie Pompoen begint. Visman schrijft over het huis waar volgens verhalen geesten rondwaren.
“Een van de eigenaren die er voor ons gewoond had, was op een kwade dag van de buitentrap gevallen, die het rondom het huis aangebrachte balkon met de begane grond verbond. Bij de val op de marmeren tegels brak hij zijn nek en hij was op slag dood. Sindsdien dwaalden er vooral bij avond en nacht geesten in en rond het inmiddels verlaten huis.”
Diezelfde plek vormt later het decor voor een verhaal van Jan Brokken, die schrijft: “Ik schrijf deze regels bij een aanwakkerende passaat terwijl de golven op de rotskust uiteen spatten,” en het verlaten landhuis beschrijft dat alleen nog onderdak biedt aan duiven.
Verderop citeert Van Geemert uit Ruwe olie van Karel de Vey Mestdagh, waarin een personage terugkeert naar een vertrouwd hotel in de Penstraat.
“Hier kende men mij. Hier kreeg ik altijd dezelfde kamer en hier had ik het gevoel thuis te zijn op Curaçao.”
Dat hotel blijkt overigens fictief; volgens Van Geemert bestaat het alleen in zijn verbeelding, maar lezers gaan er toch naar op zoek.
Ook de Theaterstraat en de vroege journalistiek op Curaçao komen aan bod. Van Geemert verwijst naar William Lee, oprichter van een van de eerste kranten op het eiland, en citeert een vroege redactionele belofte uit 1812.
“Opzet van dit blad is niemand, wie hij ook zij, te belasteren of te kwetsen, direct noch indirect. Indien domheid en ondeugd soms gestriemd zullen worden, zal dit zo gedaan worden, dat aan de maatschappij nog enig nadeel wordt berokkend.”
De wandeling voert vervolgens langs plekken die in de literatuur verbonden zijn met historische gebeurtenissen. Over de opstand van 30 mei 1969 leest Van Geemert een fragment voor uit de roman De morgen loeit weer aan van Tip Marugg, waarin de gebeurtenissen worden beschreven als een plotselinge stroom van sirenes, branden en plunderingen die de stad veranderden.
“Het was op een namiddag, één van die vroegzwoele meidagen (). De tederheid van onze doodstille wereld werd plotseling verbroken door loeiende sirenes en gierende autobanden (). Ik schrik altijd van plotselinge geluiden (). Misschien is de derde wereldoorlog uitgebroken, fluisterde ik (). Er is een grote brand, ik zie een enorme zwarte rookwolk ergens in de buurt van de brug. Wacht, ook aan de andere kant van de haven is er een felle brand.
Aan het einde van de route staat de Netto Bar in Otrobanda centraal. Van Geemert citeert uit De blinde passagiers van Jan Brokken, waarin de bar wordt beschreven als een plek waar domino wordt gespeeld en het dagelijks leven zich afspeelt.
“Hij dronk koffie in een bar die door haar naam zijn aandacht had getrokken: Netto. De eigenaar was vijf jaar geleden uit Java naar Curaçao gekomen. Aan de wankele tafeltjes sloegen oude zwarte mannen met een en ander glaasje rum achterover. Sommigen speelden domino en ketsten met de stenen alsof ze alle nederlagen uit hun lange leven wilden wreken. Bij de deur verkocht een ineengeschrompeld vrouwtje loten. En wie er werkelijk een wilde kopen moest haar een zetje geven. Ze soezelde onder haar strooien hoed.”
Met de citaten wil Van Geemert laten zien hoe schrijvers en journalisten Willemstad door de jaren heen hebben verbeeld. Volgens hem maken die teksten zichtbaar hoe plekken veranderen, verdwijnen of juist blijven voortleven in verhalen. De literaire wandeling, die hij eerder ook voor steden als Amsterdam, Paramaribo en Jakarta maakte, moet bezoekers uitnodigen de stad te lezen als een verzameling verhalen.
De lezing trok een geïnteresseerd publiek naar het Nationaal Archief, waar bezoekers na afloop met de auteur in gesprek gingen over de rol van literatuur en journalistiek in het vastleggen van de geschiedenis en het dagelijks leven op Curaçao.



































