Vierendertig jaar na Bijlmerramp is de nasleep nog altijd niet voorbij

WILLEMSTAD/AMSTERDAM – Vierendertig jaar nadat een vrachtvliegtuig van El Al zich in twee flats in de Amsterdamse Bijlmer boorde, wordt de ramp zondag opnieuw herdacht. Opvallend is dat de organisatie dit jaar nadrukkelijk aandacht vraagt voor mensen voor wie de gevolgen nooit zijn verdwenen. Voor voormalig stadsdeelraadslid Yvonne B. Olf is dat herkenbaar. Zij verzamelde na de ramp klachten en onbeantwoorde vragen van bewoners in een zwartboek en werd daar later over gehoord door de parlementaire enquêtecommissie.
Op 4 oktober 1992 stortte El Al-vlucht 1862 kort na vertrek van Schiphol neer op de flats Groeneveen en Klein-Kruitberg in Amsterdam-Zuidoost. Volgens de officiële telling kwamen 43 mensen om het leven. De ramp liet daarnaast een veel grotere groep bewoners, hulpverleners en nabestaanden achter die nog jarenlang met de gevolgen te maken had.
Vandaag, precies 34 jaar later, vindt opnieuw de jaarlijkse herdenking plaats. De gemeente Amsterdam en het Comité Herdenking Vliegramp Bijlmermeer zeggen dat daar nog steeds grote behoefte aan bestaat. Volgens het comité is voor veel getroffenen „de nasleep van de ramp nog niet gestopt”. Op het programma staat dit jaar onder meer een bijdrage namens de „vergeten slachtoffers”.
Juist dat laatste raakt aan de ervaringen van Yvonne B. Olf. Zij was ten tijde van de ramp raadslid voor De Groenen in Amsterdam-Zuidoost en kende mensen die in de getroffen flats woonden. In de jaren daarna verzamelde zij verhalen, correspondentie en klachten van bewoners in een zwartboek.
Volgens Olf was een van de grootste problemen dat bewoners lange tijd het gevoel hadden dat hun vragen niet serieus werden genomen. Zij wilden weten wat er precies in het toestel had gezeten en of stoffen die bij de crash en de brand waren vrijgekomen hun latere gezondheidsklachten konden verklaren.
Olf werd in 1999 zelf gehoord door de parlementaire enquêtecommissie. Beeld & Geluid omschrijft haar optreden als dat van een voormalig raadslid dat vertelde over het gebrek aan belangstelling binnen het toenmalige stadsdeelbestuur voor de gevolgen van de ramp en over het zwartboek dat zij had samengesteld.
Lading werd jarenlang onderwerp van discussie
Veel wantrouwen ontstond rond de lading van de Boeing 747. Het vrachtvliegtuig vervoerde ruim 114 ton goederen. Aanvankelijk werd de indruk gewekt dat daar weinig bijzonders tussen zat. Later bleek dat het toestel ook grote hoeveelheden onderdelen voor defensiematerieel vervoerde.
Ook bevond zich verarmd uranium in het vliegtuig. Dat werd niet als vracht vervoerd, maar maakte als contragewicht deel uit van het toestel. Volgens onderzoek van het RIVM ging het om ongeveer 282 kilogram. Circa 130 kilogram werd na de ramp teruggevonden; van ongeveer 152 kilogram kon achteraf niet meer worden vastgesteld waar het was gebleven.
Het RIVM hield er rekening mee dat een deel met de wrakstukken was afgevoerd. In een worstcasescenario onderzocht het instituut ook wat er zou zijn gebeurd wanneer al het ontbrekende uranium in de brand terecht was gekomen. Het instituut schatte dat hooguit een klein deel daarvan als inhaleerbare deeltjes in de lucht kon zijn gekomen.
Dat onderscheid is belangrijk. Het feit dat uranium ontbrak, bewijst niet dat 152 kilogram is verbrand of dat bewoners daaraan zijn blootgesteld.
Gezondheidsklachten waren wel degelijk reëel
Dat gold ook voor de gezondheidsproblemen die na de ramp werden gemeld. Bewoners en hulpverleners rapporteerden onder meer vermoeidheid, luchtwegproblemen, huidklachten en psychische problemen. Olf wijst daarbij op het werk van de voormalige Bijlmer-huisarts Nizaar Makdoembaks, die de klachten in zijn praktijk zag toenemen.
Wetenschappelijk is echter geen rechtstreeks oorzakelijk verband aangetoond tussen de vracht van het toestel en de langdurige gezondheidsklachten.
Het RIVM concludeerde op basis van reconstructies dat de brand acute irritatie van onder meer ogen en luchtwegen kan hebben veroorzaakt, maar dat op grond van de berekende blootstelling geen langdurige gezondheidsklachten werden verwacht. Tegelijk waarschuwde het instituut dat die berekeningen met onzekerheden waren omgeven, onder meer omdat direct na de ramp nauwelijks metingen waren verricht.
Die wetenschappelijke onzekerheid staat naast een andere conclusie die veel harder was: de overheid heeft de nasleep van de ramp op verschillende punten slecht aangepakt.
Parlement jarenlang onvolledig geïnformeerd
De parlementaire enquêtecommissie concludeerde in 1999 dat de Tweede Kamer herhaaldelijk onjuist, onduidelijk, ontijdig of onvolledig was geïnformeerd. De berging van het vliegtuigwrak verliep onzorgvuldig en de overheid reageerde te laat op de gezondheidsklachten van bewoners en hulpverleners.
Een rechtstreeks verband tussen de lading en de klachten vond de commissie niet. Maar volgens de enquête had de overheid de signalen uit de wijk veel eerder serieus moeten nemen. Ook bekritiseerde de commissie de gebrekkige samenwerking tussen ministeries en overheidsdiensten.
Daarmee verschoof de belangrijkste vraag uiteindelijk. Niet alleen wat zat er in het vliegtuig?, maar ook: waarom duurde het zo lang voordat bewoners betrouwbare antwoorden kregen?
Die vraag is voor Olf minstens zo belangrijk. In haar terugblik schrijft zij dat bewoners wilden weten waaraan zij waren blootgesteld, waarom informatie zo lang ontbrak en waarom hun gezondheidsklachten niet eerder serieus werden onderzocht.
Archieven nog steeds onderwerp van openbaarheid
Zelfs de toegang tot de historische dossiers bleef decennia later een onderwerp. In 2024 besloot het Nederlandse ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de inzage in een reeks beperkt openbare archiefstukken over het onderzoek naar de Bijlmerramp voor iedereen mogelijk te maken.
Niet alles is daarmee volledig openbaar. Het Nationaal Archief vermeldt ook in 2026 dat enkele dossiers nog een beperkte openbaarheid kennen. Sommige stukken kunnen wel worden ingezien, maar niet zonder meer worden gereproduceerd of verspreid.
Dat betekent niet dat daarin een nog onbekende verklaring voor de ramp ligt. Het laat wel zien hoe lang de discussie over openheid en toegang tot overheidsinformatie rond de Bijlmerramp heeft voortgeduurd.
Voor Olf ligt daar ook de verbinding met Curaçao, waar zij inmiddels maatschappelijk actief is. De les die zij uit de Bijlmerramp trekt, gaat minder over één onbeantwoorde technische vraag dan over de relatie tussen overheid en burger: hoe wordt gereageerd wanneer mensen na een ramp gezondheidsproblemen melden en antwoorden verlangen?
„Waarheidsvinding kan tijd kosten, maar vragen verdwijnen niet vanzelf”, schrijft zij in haar terugblik. Volgens haar is dat een les die niet alleen voor de Bijlmer geldt. „Van de Bijlmer tot Curaçao” blijft volgens Olf dezelfde vraag relevant: of burgers erop kunnen vertrouwen dat hun zorgen na een ramp serieus worden onderzocht.





































