
DEN HAAG – PVV-Kamerlid Peter van Haasen heeft tijdens het Kamerdebat over het slavernijverleden scherpe kritiek geuit op wat hij noemt de ‘slachtofferindustrie’ rond herstel en bewustwording. Volgens Van Haasen is er sinds de excuses van de regering en koning Willem-Alexander een verdienmodel ontstaan waarin instellingen en activisten miljoenen aan overheidsgeld ontvangen, zonder dat dit ten goede komt aan echte maatschappelijke vooruitgang.
“Het slavernijfonds is geen begin van herstel, maar het doorzetten van een subsidie-industrie die vooral zichzelf in stand houdt,” stelde Van Haasen. Volgens hem gaan er jaarlijks miljoenen euro’s naar bewustwordingsprojecten, adviescommissies en herdenkingsinitiatieven, terwijl het daadwerkelijke effect volgens hem beperkt is. “Er is een directeur benoemd (John Leerdam, red) voor een museum dat pas in 2030 de deuren opent. Tegen die tijd is hij met pensioen, maar intussen worden al bakken publiek geld uitgegeven.”
Voorbeelden uit subsidielijst
Van Haasen noemde ook concrete projecten die volgens hem illustratief zijn voor wat hij beschouwt als geldverspilling. “Ik noem het project dat het doel had een dansgroep naar Nederland te laten overvliegen om hier de dans ter ere van koning Rwabugiri van Rwanda op te voeren.” Andere voorbeelden die hij aanhaalde waren het “Winti Bal Masqué“, een intercultureel festival onder leiding van Winti-priesteres Marian Markelo”, en het project “One Beat at a Time”, waar met collectief kralenkettingen rijgen bij werd gedragen aan de genezing van intergenerationele trauma’s”.
Volgens Van Haasen ontbreekt het aan toetsing en publieke verantwoording. “Mijn vraag is aan de minister: hoe waardeert zij de bestedingen van het belastinggeld aan dit soort projecten? Kan zij uitleggen hoe de projecten specifiek bijdragen aan de kennis en bewustwording over het Nederlandse slavernijverleden? En hoe is die subsidievertrekking voor die 189 projecten dan gecontroleerd?”
In bredere zin stelde Van Haasen dat het slavernijdebat wordt gekaapt door belangenorganisaties en activisten die volgens hem draaien op overheidsgeld. “Wat we vandaag bespreken is niet herdenken, geen historische reflectie, maar het in stand houden van een subsidiegedreven slachtofferindustrie. Een kring van instellingen, belangenorganisaties en activisten die draaien op overheidsgeld en zichzelf aan de praat houden met herdenkingen, adviescommissies, workshops, bewustwordingssubsidies.”
Reactie uit Kamer
Vanuit de rest van de Kamer klonk felle kritiek op Van Haasens toon. Zo merkte VVD-Kamerlid Eric van der Burg op: “Als je bij een pubquiz de vraag stelt ‘slavernij is ons overkomen’, wie heeft dat gezegd? Een PVV’er of een tot slaafgemaakte? Dan zou je heel snel de wedstrijd kunnen winnen. Het is toch echt bizar dat je als witte Nederlander zegt slavernij is ons overkomen.”
Ook D66-Kamerlid Mpanzu Bamenga verwierp de redenering van Van Haasen, met de woorden: “Volgens mij diskwalificeert de PVV zichzelf door dit soort teksten aan te geven. (…) Het feit dat de PVV dat niet erkent, laat zien waarom het zo belangrijk is dat we doorgaan met deze bewustwordingsprojecten.”
Van Haasen bleef bij zijn standpunt: “Wij zijn geen racistisch land. We moeten ons verleden in de ogen kijken, maar ook geloven in een samenleving waarin niet alles tot zwart-wit wordt gereduceerd.”
Minister Uitermarkt (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) zegde toe later schriftelijk te reageren op vragen over de subsidietoekenningen en controlemechanismen rond het slavernijfonds.




































