Niet minder vergaderingen in Staten, maar wel veel minder in het openbaar

WILLEMSTAD – De Staten van Curaçao hebben in het afgelopen zittingsjaar in totaal niet minder, maar iets meer vergaderingen gehouden dan een jaar eerder. De sterke daling zit vooral bij de openbare vergaderingen en de Centrale Commissie. Tegelijkertijd kwamen verschillende Statencommissies juist veel vaker bijeen en verdubbelde het aantal vragenuurtjes.
Eerder bleek uit het jaaroverzicht van de Staten dat het aantal openbare vergaderingen in 2025-2026 daalde van 33 naar 19. Dat is een afname van 42 procent. Ook de Centrale Commissie vergaderde minder vaak: 22 keer tegenover 29 keer een jaar eerder. Het aantal vragenuurtjes verdubbelde daarentegen van zeven naar veertien. Het nieuwe Statenoverzicht vermeldt voor 2025-2026 in totaal 122 bijeenkomsten.
Aanvullende cijfers over het voorgaande zittingsjaar laten zien dat het totale aantal bijeenkomsten daarmee nauwelijks is veranderd. In 2024-2025 kwamen de Staten en hun commissies bij elkaar opgeteld 120 keer bijeen. Afgelopen jaar waren dat er 122.
De conclusie dat de Staten als geheel minder vaak vergaderden, is daarmee te algemeen. De verschuiving zit vooral in de manier waarop het parlement vergadert: minder vaak in een openbare vergadering of Centrale Commissie en vaker in commissieverband en tijdens het Vragenuur.
Veel minder openbare vergaderingen
Het verschil bij de openbare vergaderingen blijft groot. In 2024-2025 waren er 33, afgelopen jaar negentien. Dat zijn veertien openbare vergaderingen minder.
Ook het aantal vergaderingen van de Centrale Commissie daalde, van 29 naar 22. In deze commissie worden onderwerpen en wetsvoorstellen doorgaans inhoudelijk voorbereid voordat zij eventueel in een openbare vergadering terechtkomen.
Daartegenover staat de sterke groei van het Vragenuur. Dat werd afgelopen jaar veertien keer gehouden, tegen zeven keer een jaar eerder. Tijdens zo’n vergadering beantwoorden ministers vragen van Statenleden, maar kunnen geen besluiten worden genomen.
Commissies vaker bijeen
Een deel van de verschuiving is zichtbaar bij de vaste commissies. Vooral de commissie Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport kwam veel vaker bijeen. Het aantal vergaderingen steeg van drie in 2024-2025 naar elf afgelopen jaar.
Ook de commissie Rijksaangelegenheden, Interparlementaire Relaties en Buitenlandse Betrekkingen vergaderde aanzienlijk vaker: vijftien keer tegenover negen keer een jaar eerder.
Daarmee ontstaat een ander beeld dan wanneer alleen naar de openbare vergaderingen wordt gekeken. De Staten waren als organisatie ongeveer even vaak bijeen, maar een groter deel van het parlementaire werk vond plaats in commissies en andere vergadervormen.
Minder moties en ontwerpen
Dat betekent overigens niet dat alle indicatoren gelijk bleven. Het aantal moties daalde van 32 naar 22. Van de 22 moties afgelopen jaar werden er elf aangenomen en elf verworpen.
Ook werden minder ontwerpen geregistreerd. In 2024-2025 ging het om dertien ontwerpen, tegenover tien afgelopen jaar. Daarvan kwamen er vijf van de regering en vijf op initiatief van Statenleden.
Opvallend blijft bovendien dat sommige commissies nauwelijks bijeenkwamen. De Commissie voor de Werkwijze van de Staten vergaderde in 2025-2026 geen enkele keer. De commissie Bestuur, Planning en Dienstverlening kwam één keer bijeen, terwijl Gezondheid en Justitie ieder twee vergaderingen hielden.
De cijfers zeggen op zichzelf niet of de verschuiving van openbare vergaderingen naar commissies en vragenuurtjes positief of negatief is. Het aantal openbare vergaderingen hangt onder meer samen met ingediende vergaderverzoeken en onderwerpen die rijp zijn voor besluitvorming.
Wel laten de cijfers zien dat het parlementaire werk afgelopen jaar anders werd georganiseerd: niet minder vergaderen, maar duidelijk minder vaak in de openbare vergaderzaal.




































