Van Weel: Samenwerking Justitie Koninkrijkslanden steeds urgenter

· - leestijd 2 minuten
Minister David van Weel
Minister David van Weel

WILLEMSTAD – De samenwerking tussen de vier landen van het Koninkrijk wordt volgens de Nederlandse minister van Justitie en Veiligheid David van Weel steeds urgenter, juist omdat georganiseerde criminaliteit zich weinig aantrekt van de bestuurlijke en juridische grenzen tussen Nederland, Curaçao, Aruba en Sint Maarten. Criminele organisaties opereren volgens hem inmiddels als internationale ondernemingen, terwijl politie- en justitiediensten nog tegen verschillende wetgevingen, systemen en begrotingen aanlopen.


Van Weel schetste dat beeld deze week in twee gesprekken op Curaçao, waar hij deelnam aan het Justitieel Vierlandenoverleg. De gebeurtenissen in het Nederlandse Overasselt vormden daarbij voor hem een actuele illustratie van het probleem. Bij een gewelddadig incident werden tientallen mensen van verschillende nationaliteiten aangehouden.

Volgens Van Weel laat dat zien hoe criminele netwerken tegenwoordig functioneren. Hij noemt ze „multinationals”, maar voegt daar direct aan toe dat het in feite gaat om drugskartels en maffianetwerken die over landsgrenzen heen opereren. Nederland kan zulke organisaties volgens hem daarom niet alleen bestrijden.

Criminelen benutten verschillen

Voor Van Weel zit de kern van het probleem in het verschil tussen de manier waarop criminelen en overheden met grenzen omgaan.

Criminele organisaties maken volgens hem juist gebruik van verschillen tussen landen. „Waar wij grenzen hebben en soms niet goed kunnen samenwerken over die grenzen heen, hebben die criminelen daar geen enkele last van.” Daarom moeten de landen binnen én buiten het Koninkrijk volgens hem gezamenlijk optrekken.

Een dag later werkte hij die redenering verder uit. Criminele syndicaten beheersen volgens hem steeds vaker een hele keten, van productie tot afzet, met vertakkingen in meerdere landen. Een netwerk in Nederland kan daardoor uitvoerders, tussenpersonen of andere schakels hebben op Curaçao, Aruba of Sint Maarten.

Zonder gekoppelde systemen, gegevensuitwisseling en gezamenlijke opsporing worden volgens Van Weel verbanden gemist en kunnen zulke netwerken niet effectief worden aangepakt.

Dat maakt de samenwerking binnen het Koninkrijk tegelijkertijd logisch én ingewikkeld.

Eén Koninkrijk, vier juridische systemen

Een goed voorbeeld is de uitwisseling van politiegegevens. Over de noodzaak daarvan bestaat volgens Van Weel nauwelijks verschil van mening, maar de vier landen zijn het nog niet eens over de juridische vorm.

Nederland wil een consensusrijkswet. Van Weel noemt dat de beste en volgens Nederland zelfs noodzakelijke manier om de gegevensuitwisseling structureel te regelen. Sommige Caribische landen vragen zich echter af of daarvoor werkelijk een consensusrijkswet nodig is.

Daarmee wordt zichtbaar waar de samenwerking schuurt: iedereen wil gegevens delen, maar niet iedereen wil daarvoor bevoegdheden op dezelfde manier Koninkrijksbreed vastleggen.

Ook financieel is het geen gelijk speelveld

Daar komt een tweede spanning bij. Curaçao, Aruba en Sint Maarten zijn kleine landen met relatief kleine begrotingen, maar moeten wel ieder een volwaardig justitieapparaat in stand houden.

Van Weel erkent dat expliciet. Volgens hem leidt dat onvermijdelijk tot knelpunten die Nederland veel minder kent. Hij begrijpt daarom ook dat de drie Caribische ministers voorafgaand aan het JVO met elkaar bespreken hoe zij met die financiële en organisatorische problemen omgaan.

Tegelijkertijd waarschuwt hij voor het beeld van „het grote rijke Nederland” tegenover drie kleinere landen die steeds met nieuwe eisen worden geconfronteerd. Volgens hem is juist langdurig persoonlijk overleg nodig om te voorkomen dat het JVO verzandt in een drie-tegen-één-verhouding.

Die financiële ongelijkheid is meer dan een bestuurlijk ongemak. Nederland kan bijvoorbeeld investeren in gespecialiseerde recherche of Koninkrijksbrede opsporingsdiensten, terwijl de lokale landen zelf voldoende capaciteit moeten hebben bij politie, OM, rechtbanken, gevangenissen en zorginstellingen.

Wanneer één schakel wordt versterkt en de volgende niet, verschuift het probleem simpelweg verder in de strafrechtketen.

De paradox van het Koninkrijk

Daarmee tekent zich na het overleg een duidelijke paradox af.

Het Koninkrijk vormt voor criminelen steeds meer één werkgebied, maar voor justitie nog altijd vier afzonderlijke rechtsgebieden.

Van Weel ziet juist daarom meer samenwerking als onvermijdelijk. De landen delen dezelfde criminele netwerken, dezelfde drugsroutes en deels dezelfde verdachten. Maar zij beschikken niet automatisch over dezelfde informatie, hebben verschillende budgetten en wetgeving en moeten voor gezamenlijke voorzieningen telkens opnieuw afspraken maken.

Het JVO laat daarmee twee werkelijkheden tegelijk zien. De politieke bereidheid tot samenwerking lijkt groot en op onderdelen worden concrete stappen gezet. Maar bij essentiële onderwerpen als gegevensuitwisseling, capaciteit van de justitieketen en forensische zorg zijn de oplossingen nog niet afgerond.

Van Weels boodschap is daardoor minder geruststellend dan de gebruikelijke formulering dat de samenwerking „goed en constructief” verloopt. Criminele netwerken zijn de grenzen van het Koninkrijk al lang voorbij. De justitieorganisaties proberen die achterstand nu in te halen.


194 keer gelezen

Deel dit artikel: