Commentaar: Botsing rond gouverneur vraagt om bredere blik

· - leestijd 4 minuten
Arjan van Rijn
Arjan van Rijn

PHILIPSBURG - Het advies van staatsrechtsgeleerde Arjen van Rijn over de rol van de gouverneur van Sint Maarten is duidelijk en stevig. Volgens hem is de gouverneur te ver gegaan en heeft hij zich bemoeid met zaken die bij het kabinet horen. Dat is een serieus oordeel, dat niet zomaar terzijde kan worden geschoven.


Redactioneel commentaar

Tegelijk is duidelijk dat hij werkt met informatie die vooral door premier Mercelina is aangeleverd en dat hij het staatsrecht vrij strak en zwart-wit benadert. Daardoor is zijn redenering sterk in de hoofdlijn, maar kwetsbaar op punten waar juist nuance en praktijk een rol spelen.

De eerste zwakte zit al in de basis. Van Rijn schrijft zelf dat hij zijn advies heeft gemaakt op basis van documenten en toelichtingen van de minister-president en diens staf. Nergens blijkt dat hij ook de gouverneur heeft gehoord of diens kant van het verhaal volledig heeft kunnen toetsen. Dat betekent niet dat zijn analyse verkeerd is, maar wel dat die op een eenzijdig beeld van de feiten rust. En dat is een zwak punt als je tot een harde conclusie komt dat iemand zijn bevoegdheden heeft overschreden.

In de kern is zijn betoog duidelijk en goed te volgen. Van Rijn zegt: de gouverneur heeft twee rollen. Hij hoort bij de regering van het land, maar vertegenwoordigt ook het Koninkrijk. In de eerste rol moet hij de ministers volgen. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan hij ingrijpen door een besluit niet te tekenen en het door te sturen naar het Koninkrijk. Volgens Van Rijn bestaat er geen derde mogelijkheid daartussen. Dat is de kern van zijn redenering, en die is logisch opgebouwd en goed onderbouwd.

Sterk is ook dat hij die theorie toepast op wat er concreet is gebeurd. Hij kijkt naar het weren van de minister-president uit de vergadering, het bijwonen van ministerraadsvergaderingen door de gouverneur en diens actieve rol in een specifiek dossier. Vanuit zijn eigen uitgangspunt is het dan logisch dat hij zegt: dit gaat te ver.

Tegelijk zit daar ook een zwakke plek. Van Rijn presenteert zijn uitleg van het staatsrecht als de juiste, maar uit zijn eigen tekst blijkt dat daar discussie over bestaat. Andere juristen vinden juist dat de gouverneur soms wél een eigen rol heeft om in te grijpen als de werking van het bestuur onder druk staat.

Van Rijn noemt weliswaar de andere opvattingen, maar schuift ze uiteindelijk terzijde. Daarmee wordt zijn conclusie minder absoluut dan hij zelf doet voorkomen. Het is niet de enige mogelijke lezing van het recht, maar één van de mogelijke interpretaties.

Een tweede punt is dat hij sterk leunt op vergelijkingen en eerdere voorbeelden in vergelijking met de koning die niet zomaar in een ministerraad gaat zitten. Dat is begrijpelijk, maar blijft een vergelijking. Ook eerdere zaken uit het Koninkrijk geven richting, maar bepalen niet automatisch wat in deze specifieke situatie wel of niet mocht.

Daarnaast is er zijn uitleg van de regels rond deelname aan de ministerraad. Van Rijn zegt dat de gouverneur daar geen beslissende rol in heeft en dat dit bij de ministers ligt. Dat is verdedigbaar. Maar het roept ook een vraag op: wat als juist die ministers onderdeel zijn van het probleem? Kun je dan volledig aan hen overlaten wie er wel of niet meedoet aan de besluitvorming? Die vraag blijft in het advies grotendeels liggen.

Wat Van Rijn mogelijk ook onderschat, is hoe het in de praktijk werkt. Hij schetst een systeem met twee duidelijke keuzes: meewerken of ingrijpen via het Koninkrijk. Maar in werkelijkheid zit daar vaak een tussenfase tussen.

Voorbeelden

Zo hield op Sint Maarten gouverneur Eugene Holiday in 2015 een besluit tot ontbinding van het parlement wekenlang aan, stelde vragen en zocht naar een andere uitweg, voordat het tot een formeel besluit kwam.

Op Curaçao gaf gouverneur Lucille George-Wout in 2017 eerst intern meerdere keren aan dat een omstreden 80/20 wet juridisch problematisch was, nog voordat zij weigerde te tekenen en de kwestie naar het Koninkrijk ging.

En ook in andere gevallen, zoals bij politieke crises op Curaçao of benoemingskwesties op Aruba, blijkt dat gouverneurs vaak eerst proberen via overleg en waarschuwingen bij te sturen.

Die voorbeelden laten zien dat hun rol zich in de praktijk niet beperkt tot alleen tekenen of blokkeren, maar juist ook bestaat uit het voorkomen dat conflicten zo ver oplopen dat ingrijpen van buitenaf nodig wordt. Het is Dat is dus geen zwart-wit situatie, maar eerder een grijs gebied waarin wordt gezocht naar balans.

Gouverneurs proberen dus problemen eerst op te lossen door te waarschuwen, vragen te stellen of tijd te nemen. Juist om te voorkomen dat een conflict escaleert. Zijn advies laat weinig ruimte voor die praktijk, terwijl die wel degelijk bestaat.

Detailniveau

Ook op detailniveau zijn er interpretatieverschillen mogelijk. Zo wijst Van Rijn erop dat het reglement op Sint Maarten niet expliciet zegt dat de gouverneur mag deelnemen aan ministerraadsvergaderingen. Daaruit leidt hij af dat dit alleen in protocollaire vorm kan. Dat is een logische lezing, maar niet de enige mogelijke uitleg.

Tot slot valt op dat de toon van het advies richting het einde verandert. Waar het begint als een juridische analyse, eindigt het met waarschuwingen over “rode lijnen” en de oproep tot stevig optreden van het kabinet. Dat maakt het advies niet onbruikbaar, maar het krijgt daardoor ook iets van een strategisch document voor de opdrachtgever, in plaats van alleen een neutrale juridische beoordeling.

Alles bij elkaar ligt het genuanceerd. Van Rijn presenteert een helder en goed onderbouwd betoog waarom de gouverneur te ver is gegaan. Binnen zijn eigen redenering is dat overtuigend. Maar die redenering is ook streng en selectief. Hij kiest voor een strikte uitleg van het staatsrecht, baseert zich op informatie van één kant en laat weinig ruimte voor de praktijk waarin vaak eerst wordt geprobeerd om conflicten intern op te lossen.

Daarmee is zijn advies waardevol, maar niet het laatste woord. De kern van de kritiek is niet dat Van Rijn ongelijk heeft, maar dat hij één mogelijke uitleg van het staatsrecht presenteert als bijna de enige. En juist daar zit de ruimte voor discussie.


1.316 keer gelezen

Deel dit artikel: