Suzanne Perlman schilderde Curaçaose tambú toen die nog bij wet verboden was

· - leestijd 2 minuten
Conjunto, 1956 Oil on canvas, 102 × 128 cm
Conjunto, 1956 Oil on canvas, 102 × 128 cm

WILLEMSTAD – Terwijl de tambú op Curaçao nog bij wet verboden was, legde de Joodse kunstenares Suzanne Perlman de Afro-Curaçaose dans- en muziekcultuur al vast op doek. In 1951 schilderde zij Tambú, een werk waarin dansers en muzikanten centraal staan. Bijna twintig jaar later verwerkte zij ook de volksopstand van 30 mei 1969 in twee schilderijen. Haar werk laat zien hoe een kunstenares die in 1940 naar Curaçao kwam, oog had voor de sociale en raciale tegenstellingen op het eiland.


at blijkt uit het kunsthistorische hoofdstuk A New Season: Curaçao, geschreven door historica Margo Groenewoud en kunsthistorica Josée Thissen-Rojer. De bijdrage verscheen in 2026 in een boek over het leven en werk van Suzanne Perlman, uitgegeven door de internationale kunstuitgever Skira.

Verboden danscultuur

Volgens de onderzoekers was de tambú tussen 1936 en 1954 op Curaçao bij wet verboden. De koloniale autoriteiten beschouwden Afro-Curaçaose culturele uitingen als een mogelijke voedingsbodem voor maatschappelijk verzet. Vooral de groeiende invloed van socialistische en zwarte nationalistische bewegingen baarde het koloniale bestuur zorgen.

De bescherming van de olie-industrie speelde daarbij een belangrijke rol. Sinds de komst van de raffinaderij in 1915 was Curaçao ingrijpend veranderd. De bevolking groeide snel door arbeidsmigratie, terwijl de economische en raciale ongelijkheid groot bleef.

Juist in die periode schilderde Perlman de tambú. Op haar doek uit 1951 zijn dansers en muzikanten te zien, onder wie een trommelspeler die gedeeltelijk verscholen zit. De bewegingen van de dansers en het ritme van de muziek komen terug in de expressieve penseelstreken en kleuren.

Het schilderij werd pas in 1982 tentoongesteld en maakt tegenwoordig deel uit van de permanente presentatie van het Curaçaosch Museum.

Van vluchteling tot kunstenares

Suzanne Perlman arriveerde in augustus 1940 met haar echtgenoot Heinz op Curaçao. Als Joods echtpaar vonden zij er een nieuw thuis, ver van het door oorlog verscheurde Europa.

In de jaren veertig begonnen zij in Punda een winkel in antiek en curiosa, Fanny’s Shop. Op de bovenverdieping richtte Perlman een ruimte in waar zij kon tekenen en schilderen.

Anders dan veel leden van de welgestelde gemeenschap waarin zij verkeerde, trok Perlman er geregeld op uit om het dagelijks leven van de gewone Curaçaoënaar vast te leggen. Zij schilderde marktverkopers, dominospelers, muzikanten en bewoners van de volkswijken.

De onderzoekers beschrijven hoe Perlman zich bewust was van haar bijzondere positie. Als Europese, Joodse vrouw maakte zij deel uit van de voornamelijk witte economische elite, maar tegelijkertijd voelde zij zich aangetrokken tot de leefwereld van de Afro-Curaçaose bevolking.

In een interview met de Nederlandse krant Het Vrije Volk uit 1953 uitte zij haar zorgen over de moeilijke leefomstandigheden van een groot deel van de eilandbevolking.

Opstand van 30 mei

De maatschappelijke betrokkenheid van Perlman kwam ook tot uitdrukking na de opstand van 30 mei 1969, toen arbeidsconflicten uitmondden in grootschalige ongeregeldheden in Willemstad.

De gebeurtenissen, waarbij doden vielen en gebouwen in brand werden gestoken, maakten diepe indruk op de kunstenares.

Zij verwerkte haar ervaringen in twee grote abstracte schilderijen: Revolution en Curaçao Rises from the Ashes.

Volgens Groenewoud en Thissen-Rojer verbeeldt Revolution de chaos van de gebeurtenissen met een wirwar van lijnen en kleuren. In Curaçao Rises from the Ashes ontstaat juist meer structuur, met zachtere lijnen en een combinatie van heldere en donkere kleuren.

De werken geven daarmee twee verschillende artistieke reacties op een gebeurtenis die de Curaçaose samenleving ingrijpend veranderde.

Ook correspondent voor Reuters

Minder bekend is dat Perlman in de jaren vijftig ook als correspondent werkte voor het internationale persbureau Reuters. Zij kwam daarmee in aanraking via journalist Isidore Bloch, die op Curaçao woonde en medeoprichter was van de Antilliaanse persvereniging.

Haar belangstelling voor mensen en maatschappelijke ontwikkelingen beperkte zich daarmee niet tot haar schilderkunst.

Hoewel Perlman internationaal al erkenning kreeg, duurde het enige tijd voordat zij ook op Curaçao brede waardering kreeg. Een solotentoonstelling in het Curaçaosch Museum in 1961 vormde volgens de onderzoekers een belangrijk keerpunt.

Curaçao als inspiratiebron

Perlman bleef haar hele leven verbonden met Curaçao. Haar schilderijen tonen niet alleen landschappen, gebouwen en mensen, maar ook haar persoonlijke interpretatie van de samenleving.

De onderzoekers benadrukken dat zij zich nooit volledig aansloot bij één kunststroming. Haar werk combineert figuratieve voorstellingen met expressionistische en abstracte elementen.

Daarbij speelde de Curaçaose samenleving een bepalende rol. De culturele verscheidenheid, sociale ongelijkheid en maatschappelijke veranderingen vormden een voortdurende inspiratiebron.

Volgens Groenewoud en Thissen-Rojer verdient haar werk daarom een nadrukkelijkere plaats binnen de geschiedenis van de Caribische moderne kunst.

Haar schilderijen van de verboden tambú en de opstand van 30 mei 1969 laten zien dat de kunstenares niet alleen het kleurrijke Curaçao vastlegde, maar ook oog had voor de spanningen en veranderingen die het eiland vormden.


Deel dit artikel: