Recensie | De pijn van mitar mitar in het leven van Frank Martinus Arion

· - leestijd 8 minuten
Frank met zijn vrouw Trudy voor hun huis in Vredenberg
Frank met zijn vrouw Trudy voor hun huis in Vredenberg Foto: Michiel van Kempen

WILLEMSTAD – In Uit baldadig hout ben ik gesneden beschrijft Mineke de Vries niet alleen het leven van Frank Martinus Arion, maar ook de prijs die hij betaalde voor sociale stijging, intellectuele ambitie en culturele onafhankelijkheid. Uit dagboeken, brieven, manuscripten en gesprekken met mensen uit zijn omgeving komt een man naar voren die zich vaak nergens werkelijk thuis voelde.


Zijn kleur, armoede, taal en opleiding brachten hem in werelden die elkaar niet vanzelfsprekend verdroegen. Juist daarin ligt de kracht van deze biografie: achter de schrijver verschijnt een Curaçao dat hem vormde, maar hem ook voortdurend dwong zich tot verschillende werelden te verhouden.

De Vries maakt vanaf het begin duidelijk dat ze Martinus Arion niet alleen als schrijver wil beschrijven. Zijn leven moet ook iets laten zien van de ingewikkelde verhoudingen binnen het Koninkrijk en van de doorwerking van kolonialisme, slavernij, kleur en taal.

In zijn archief vond zij bovendien een psychologische lijn die hij zelf al had uitgezet. Hij schreef over vernedering, minderwaardigheid vanwege zijn huidskleur, schaamte over armoede, afwijzing, eenzaamheid en wraak.

Dat maakt dit boek op veel plaatsen pijnlijk.

Martinus Arion wilde vooruit, maar iedere stap vooruit bracht hem ook verder van de wereld waaruit hij kwam. Hij wilde erkenning, maar wantrouwde tegelijk de instituties die hem die erkenning konden geven. Hij wilde onafhankelijk zijn, maar bleef afhankelijk van scholen, uitgevers, fondsen en een cultureel centrum dat grotendeels in Nederland lag. Die spanning begint al vroeg.

Aan de andere kant van het hek

De jonge Frank komt uit de wereld van de Vincentiusschool, de armenschool waar kinderen met verstelde kleren en zonder schoenen naar school gingen. Aan de overkant stond het prestigieuze St. Thomascollege, waar leerlingen uit welgestelde gezinnen onderwijs kregen en zich niet met de jongens van de armenschool mochten bemoeien.

Later komt Frank zelf aan die andere kant van het hek terecht.

Dat is meer dan een schoolwisseling. Het is een sociale overgang. Papiamentstalige kinderen uit de buitendistricten kwamen vanwege taal en geld nauwelijks op die school terecht. Frank kwam uit een arm gezin, sprak niet vanzelfsprekend Nederlands en moest zich bewegen tussen jongens uit welgestelde families.

De Vries beschrijft bovendien hoe kleur onderdeel was van de ordening op school. Leerlingen werden naar kleur gerangschikt en in de pauzes bestonden witte en zwarte tafels. Zij noemt zijn komst op de middelbare school een overgang „van zwart naar wit én van armoede naar elite”.

Daarmee krijgt Martinus Arion kansen die zijn buurtgenoten niet krijgen. Tegelijk leert hij dat toegang tot een andere wereld samenhangt met een andere taal, andere omgangsvormen en een samenleving waarin kleur en klasse voortdurend zichtbaar zijn.

Het onderwijs bevrijdt hem dus niet alleen. Het vervreemdt hem ook.

De pijn van dubbelheid

De Vries noemt dat later zijn dubbelheid of spagaat. Dat is geen begrip dat zij zomaar van buitenaf op hem legt. Martinus Arion zelf worstelde met die verdeeldheid en zocht er woorden voor.

Tijdens zijn studie in Nederland schreef hij dat hij minderwaardigheidscomplexen had gekregen door wat hij van zijn omgeving had meegekregen. Nederland, waar hij aanvankelijk zo naar had verlangd, lost dat gevoel niet op. Integendeel: de confrontatie met Nederlandse onverschilligheid over kolonialisme en slavernij verdiept zijn frustratie.

De Vries laat hem via Frantz Fanon nadenken over de zwarte koloniale mens die zich de taal en cultuur van de kolonisator eigen maakt om status te verwerven. Martinus Arion vatte dat zelf indringend samen: hij had zijn lichaam bedekt met Europees vlees en Europese woorden, en nu had hij het koud.

Later noemde hij zichzelf zelfs „dubbel” en gebruikte hij voor zichzelf het woord schizofreen. De Vries merkt daarbij terecht op dat schizofrenie in de psychiatrie iets anders betekent dan een dubbele persoonlijkheid.

De strijd die zij beschrijft, is dus werkelijk. Martinus Arion ging niet lichtvoetig van de ene wereld naar de andere. Hij voelde zich juist vaak nergens volledig opgenomen.

Daarmee wordt ook duidelijk waarom de vraag naar erkenning zo’n grote rol in zijn leven speelt.

Dertig mei en de vraag waar Frank hoorde

Rond 30 mei 1969 bereikt die spanning een hoogtepunt. De Vries vraagt waar Frank eigenlijk bij hoorde: bij de zwarte arme bevolking, bij de gestudeerden, bij de zwarte elite of bij de witte wereld die hem mede had gevormd.

Die vraag is begrijpelijk, juist omdat Martinus Arion zelf moeite had die verschillende posities met elkaar te verbinden.

Maar het materiaal dat De Vries verzamelt, roept ook een bredere vraag op. Want de Curaçaose samenleving waarin hij opgroeide bestond niet uit keurige afzonderlijke werelden. Kleur, klasse, taal, opleiding en familieachtergrond liepen voortdurend door elkaar. Sociale stijging kon betekenen dat je je eigen omgeving ontstegen was, zonder dat je werkelijk in de nieuwe wereld werd opgenomen.

Martinus Arion kende die spanning van binnenuit.

Hij kende de volkswijk én de eliteschool. Hij kende Papiamentu én Nederlands. Hij kende Curaçao én Amsterdam. Hij kon zich identificeren met zwarte emancipatie en tegelijk afhankelijk zijn van Nederlandse instituties. Juist doordat hij al die werelden kende, voelde hij ook scherper waar de grenzen lagen.

Mitar mitar

Halverwege deze biografie dringt zich daardoor een Curaçaos begrip op dat De Vries zelf niet gebruikt en Martinus Arion voor zover uit het boek blijkt evenmin: mitar mitar.

Letterlijk betekent het half-half. Maar het kan ook gelezen worden als een manier om te begrijpen hoe in Curaçao verschillende werkelijkheden naast elkaar kunnen bestaan.

Bij Martinus Arion moet dat begrip voorzichtig worden gebruikt. Het mag zijn persoonlijke strijd niet gladstrijken. Voor hem waren die werelden vaak juist moeilijk te verenigen.

Toch helpt mitar mitar om iets anders zichtbaar te maken: de maatschappelijke context waarin die strijd ontstond.

Martinus Arion hoefde niet één vaststaande identiteit te hebben om tegelijk tot verschillende sociale en culturele werelden te behoren. Hij kon zich diep verbonden voelen met Papiamentu en toch in het Nederlands schrijven. Hij kon het Nederlandse kolonialisme bestrijden en tegelijkertijd literaire erkenning in Nederland zoeken. Hij kon uit armoede komen en later verlangen naar aanzien. Hij kon zichzelf als deel van het volk zien en tegelijk afstand nemen van mensen die hij intellectueel beneden zich vond.

Dat maakt zijn leven niet harmonieuzer. Het maakt het complexer.

Papiamentu en Nederlands

Nergens wordt dat duidelijker dan in de taalstrijd.

Martinus Arion werd een van de felste pleitbezorgers van Papiamentstalig onderwijs. Voor hem was de moedertaal verbonden met eigenwaarde en emancipatie. Maar De Vries vermeldt ook dat juist een deel van de lagere sociale groepen het Nederlands niet uit het onderwijs wilde verliezen. Nederlands bood hun kinderen betere kansen in het vervolgonderwijs.

Dat maakt taal op Curaçao tot meer dan een eenvoudige tegenstelling tussen koloniale onderdrukking en bevrijding.

Papiamentu kon de taal zijn van thuis, identiteit en eigenwaarde. Nederlands was tegelijkertijd de taal van diploma’s, universiteiten en sociale stijging.

Martinus Arion belichaamde die spanning zelf.

Het Nederlands dat hem van zijn omgeving kon vervreemden, gaf hem ook de mogelijkheid schrijver te worden. Later probeerde hij dat Nederlands bewust te „verantillianiseren”. Nederlandse lezers herkenden in Dubbelspel zinswendingen en uitdrukkingen die bijna rechtstreeks uit het Papiamentu leken te komen.

Daar zit iets wezenlijks.

Martinus Arion wist zijn talen misschien niet altijd innerlijk te verzoenen, maar literair maakte hij er wel iets nieuws van.

Dubbelspel als veldwerk

Een van de aantrekkelijkste delen van De Vries’ biografie is haar reconstructie van het ontstaan van Dubbelspel.

Het boek blijkt veel autobiografischer dan lezers konden vermoeden. De wijk, het ouderlijk huis, familieleden en ervaringen uit zijn jeugd keren terug in personages en gebeurtenissen. De zoon van Boeboe lijkt sterk op de jonge Frank: de trots van zijn vader en de hoop van zijn buurt, die naar de middelbare school mag maar thuis geen kamer, boeken of hulp heeft zoals zijn klasgenoten.

Maar Martinus Arion deed meer dan herinneringen verwerken.

Hij luisterde, verzamelde materiaal, gebruikte gesprekken van dominospelers, uitspraken van vakbondsleiders, rechtbankverslagen en politieke ideeën. Daarmee krijgt Dubbelspel bijna iets etnografisch. Hij observeert een wereld waarvan hij zelf afkomstig is, maar waarnaar hij inmiddels ook met de afstand van schrijver en intellectueel kijkt.

De Vries noemt de roman het product van zijn dubbelheid: „zwarte” armoede beschreven in het „witte” Nederlands van de fraters.

Je kunt hetzelfde ook anders formuleren: in Dubbelspel brengt Martinus Arion werelden bijeen die hij in zijn eigen leven moeilijk bij elkaar kreeg.

De literatuur doet wat het leven niet altijd kon.

De Vries spaart haar hoofdpersoon niet.

Martinus Arion noemt zichzelf een man die als „jager” is opgevoed en eist vrijheid op in de liefde. Tegelijk typt Trudi zijn manuscripten, kookt, wast en verstelt zijn kleren. Hij kan zelfs zeggen dat hij haar emancipeert, terwijl de machtsverhouding in de relatie ongelijk blijft.

Ook daar botsen idealen en gedrag.

Dat maakt hem niet alleen tegenstrijdig, maar ook herkenbaar als product van zijn tijd en omgeving. Politieke of culturele emancipatie betekent niet automatisch dat iemand zich op ieder ander terrein aan dezelfde principes houdt.

In Dubbelspel komen dezelfde spanningen terug: mannelijkheid, seksuele vrijheid, jaloezie, vernedering, macht en geweld.

De schrijver die maatschappelijke verhoudingen analyseert, staat er zelf niet buiten.

Zelfanalyse en samenleving

De psychologische lijn van De Vries is sterk omdat zij voor een groot deel uit Martinus Arions eigen documenten voortkomt.

Aan het einde van het boek schrijft zij dat hij levenslang naar erkenning zocht die in zijn jeugd ontbrak, dat hij compensatie zocht voor minderwaardigheidsgevoelens vanwege zijn kleur en voor schaamte over armoede. Nederland gaf hem volgens haar erkenning die Curaçao hem onvoldoende gaf.

Dat is overtuigend, juist omdat Martinus Arion zelf zo uitvoerig over zijn angsten en minderwaardigheid schreef.

Toch kan die psychologische verklaring naast een maatschappelijke worden gelegd.

Een kind dat al vroeg leert dat de taal van thuis niet dezelfde status heeft als de taal van school, dat van armenschool naar eliteschool gaat en later in Nederland opnieuw op zijn kleur en afkomst wordt teruggeworpen, ontwikkelt zijn zelfbeeld niet los van die verhoudingen.

Persoonlijk trauma en maatschappelijke structuur spreken elkaar niet tegen. Ze versterken elkaar.

Het zoeken naar harmonie

Misschien levert De Vries zelf uiteindelijk het mooiste beeld voor Martinus Arions hele leven.

In een vroege versie van het gedicht Mi ta skirbi laat hij de dividiviboom de richting van de wind opnemen en de strijdende tegenstellingen uitschakelen: wit en zwart, man en vrouw, Europa en Afrika. Hij schrijft om te ontdekken wat de mens eigenlijk is.

Wie zo naar harmonie zoekt, heeft eerst conflict ervaren.

Daar krijgt mitar mitar zijn betekenis. Niet als bewijs dat Martinus Arion probleemloos uit meerdere werelden bestond, maar als een manier om te begrijpen waarom zoveel verschillende werkelijkheden voortdurend in hem samenkwamen.

Soms botsten ze. Soms maakten ze hem ongelukkig. En soms leverden ze grote literatuur op.

Curaçao als tweede hoofdpersoon

Daar ligt uiteindelijk de kracht van Uit baldadig hout ben ik gesneden.

De Vries haalt Frank Martinus Martinus Arion van zijn sokkel. Ze toont een man die tegelijk kwetsbaar en hooghartig, strijdbaar en onzeker, warm en destructief kon zijn. Ze neemt zijn psychische worsteling serieus en laat zien hoe diep die in zijn jeugd en verdere leven wortelde.

Maar achter die man verschijnt ook Curaçao zelf.

Het eiland van Papiamentu en Nederlands. Van volkswijk en eliteschool. Van zwarte emancipatie en sociale stijging. Van koloniale instituties die mensen konden beperken maar soms tegelijkertijd de middelen leverden waarmee zij zich daartegen konden verzetten.

Dat is misschien het meest interessante gevolg van deze biografie.

De Vries laat overtuigend zien hoe pijnlijk Frank Martinus Martinus Arion zijn dubbelheid beleefde. Wie vanuit Curaçao leest, ziet daarnaast wat die pijn vertelt over de samenleving die hem gevormd heeft.

Frank Martinus Arion droeg verschillende werelden in zich. De tragedie was niet dat die werelden bestonden, maar dat hij zijn leven lang moest zoeken naar een manier om ze met elkaar te verbinden.


De biografie Uit baldadig hout ben ik gesneden. Het leven van Frank Martinus Arion van Mineke de Vries verschijnt bij Uitgeverij G.A. Van Oorschot in Amsterdam en is vanaf 23 oktober op Curaçao verkrijgbaar. ISBN: 9789028264250.


104 keer gelezen

Deel dit artikel: