
WILLEMSTAD - Het koraalrif rond Curaçao is in enkele decennia ingrijpend veranderd. Waar ooit uitgestrekte velden van levend koraal lagen, resteert volgens Robert ‘Makambi’ Flameling op veel plaatsen nog maar een fractie. In deze persoonlijke bijdrage beschrijft hij hoe hij het rif sinds zijn jeugd zag verdwijnen door onder meer opwarming van het zeewater, koraalziekten, vervuiling, kustontwikkeling en overbevissing – en waarom volgens hem nú moet worden ingegrepen om te redden wat er nog over is.
door | Robert ‘Makambi’ Flameling
Heel lang geleden nam mijn vader me mee naar de zee en leerde hij me zwemmen en omgaan met duikbril en snorkel om onder water te kijken. En ik keek mijn ogen uit. Wat zich daar beneden aan mij openbaarde, was een wereld die ik nauwelijks kon bevatten. Een wereld van kleur, beweging en leven. Allerlei soorten koralen bedekten de bodem: grote ronde koepels, enorme pilaren en koralen die zich vertakten als bossen met fragiele structuren, bijna als hertengeweien. Je zag nauwelijks nog de bodem. Daartussendoor zwommen scholen felgekleurde vissen, die op hun beurt werden opgejaagd door grotere roofvissen.
Naast de harde koralen zag je indrukwekkende waaiers en boomachtige structuren van zachte koralen. Er waren sponzen in allerlei kleuren en maten. En wie de moeite nam om rustig en goed te kijken, ontdekte nog veel meer. Talloze kleine dieren krioelden, scharrelden en schoten tussen het koraal door. Ik maakte er als kind een spelletje van om voorzichtig de spiraalvormige kokerwormen aan te tikken. Met een felle ruk trokken die zich dan terug in hun koker. En niet alleen degene die ik had aangeraakt: ook de andere wormen eromheen verdwenen vrijwel gelijktijdig. Ze waren met elkaar verbonden. Ik ontdekte een zeepaardje en een pistoolgarnaal, die ik niet alleen zag maar ook hoorde. Een schorpioenvis die zo perfect gecamoufleerd was dat ik hem pas ontdekte toen hij van schrik wegzwom.
Maar ik leerde ook respect te hebben voor het rif. De venijnige steek van een kwal bijvoorbeeld. Of een voet vol stekels van een zwarte zee-egel. Stekels die je er niet zomaar uit kon trekken omdat ze vol weerhaken zaten. Het rif was prachtig, maar met haar eigen regels, waar je als bezoeker voorzichtig mee moest omgaan.
De kentering
Toen begon de kentering. Eerst stierven de zwarte zee-egels massaal. Binnen enkele weken waren ze vrijwel allemaal verdwenen. Op het eerste gezicht leek dat misschien prettig. De toegang tot de zee en het koraal werd immers gemakkelijker: je kon ineens overal het water in zonder voortdurend bang te hoeven zijn om een voet vol stekels te krijgen. Maar wat aanvankelijk een gemak leek, bleek achteraf een waarschuwing.
En toen kwam bleaching, koraalverbleking. Grote koraalformaties verloren plotseling hun kleur. Door het doorschijnende koraalweefsel zag je het witte skelet eronder. Het koraal was nog niet dood, maar gezond kon je het evenmin noemen. De oorzaak was de opwarming van het zeewater. Koralen leven in een innige symbiose met microscopisch kleine eencellige algen. Die algen gebruiken zonlicht om energie en voedsel te produceren, waarvan het koraal profiteert. In ruil daarvoor levert het koraal onder meer koolstofdioxide aan de algen. Maar wanneer het zeewater te warm wordt, raakt die samenwerking ontwricht. Het koraal stoot zijn algen af en verliest daarmee niet alleen zijn kleur, maar ook een belangrijke bron van energie. Als het water daarna weer voldoende afkoelt, kan het koraal zich herstellen. Maar als de hitte te lang aanhoudt of te vaak terugkeert, wordt herstel steeds moeilijker.
Aanvankelijk gebeurde dit slechts sporadisch. Maar het bleef niet bij sporadische gebeurtenissen. Bleaching werd steeds frequenter en ernstiger, terwijl het zeewater verder opwarmde. Alsof dat nog niet genoeg was, kreeg het rif ook te maken met verschillende koraalziekten, waaronder white band disease en black band disease. Ook die richtten grote schade aan.
Van rif naar algenveld
De skeletten van afgestorven koralen vormen een uitstekende ondergrond voor macroalgen. Zodra die zich massaal vestigen en het rif overwoekeren, wordt herstel steeds moeilijker. Jong koraal krijgt nauwelijks nog de ruimte om zich te vestigen en bestaand koraal krijgt onvoldoende kans om terug te keren. Daar komt nog iets bij. Papegaaivissen spelen een belangrijke rol bij het onder controle houden van algen. Zij grazen voortdurend op het rif en houden daarmee de algen kort. Maar ook hun aantallen zijn afgenomen, onder meer door voortdurende jacht met bijvoorbeeld speervissers en striknetten.
Zo ontstaat een vicieuze cirkel: koraal sterft, algen nemen het over, de grazers verdwijnen en het jonge koraal krijgt steeds minder kans om terug te keren. En daarmee verdwijnt niet alleen het koraal. Een compleet ecosysteem wordt langzaam uitgehold.
Het rif heeft bovendien met andere bedreigingen te maken. Afvalwaterlozingen brengen voedingsstoffen en andere stoffen in zee die ziektes verwekken en ongewenste algengroei stimuleren. De voortdurende ontwikkeling van de kust leidt tot aantasting en afbraak van het rif in de directe omgeving. En boven alles hangt de steeds groter wordende druk van klimaatverandering, met als een van de meest directe gevolgen de opwarming van het zeewater. Geen van deze factoren staat volledig op zichzelf. Ze versterken elkaar. Het is juist de opeenstapeling die zo verwoestend is.
En zo zijn we in de loop der jaren terechtgekomen waar we nu staan: van een gezond, levendig koraalrif langs grote delen van onze kust naar een situatie waarin nog maar ongeveer vijf procent van de bodem door levend koraal wordt bedekt. Vijf procent! Het gaat om 95 procent van een levende wereld die verdwenen is. Het is niet overal langs onze kust even erg. De riffen te Oostpunt en Klein Curaçao zijn nog in redelijke staat, mede omdat daar de negatieve invloed van mensen met hun activiteiten en afval(water) ontbreekt.
Ik ga niet meer duiken
Al enige jaren geleden heb ik besloten niet meer te gaan duiken. Niet omdat ik het duiken niet meer leuk vind. Integendeel. Ik ben ermee gestopt omdat ik de aanblik van een desolaat rif niet meer kan verdragen. Een kaal landschap van macroalgen, met hier en daar een enkel levend koraal dat zich wanhopig tussen die groene massa probeert staande te houden. Misschien klinkt dat overdreven. Voor iemand die het rif van vroeger nooit heeft gekend, is het waarschijnlijk moeilijk te begrijpen. Maar voor mij is iedere duik een vergelijking met wat er ooit was. Ik zwem niet alleen door het rif van vandaag; ik zwem door mijn herinneringen aan het rif van vroeger. En die vergelijking is genadeloos.
Koralen en koraalriffen bestaan al sinds de oertijd. Ze hebben in de loop van miljoenen jaren enorme veranderingen in klimaat en leefomstandigheden doorstaan. Misschien beschikken ze nog steeds over een vermogen tot aanpassing waarvan wij de grenzen niet kennen. Maar dan moeten we ze wel een kans geven. We kunnen niet eindeloos doorgaan met afvalwater in zee lozen, de kust volbouwen, riffen beschadigen, vissen wegvangen en vervolgens hopen dat de natuur het allemaal wel weer oplost. De natuur is geen onbeperkte schoonmaakdienst die onze rommel zonder gevolgen blijft opruimen.
Als we nu serieus beginnen de aantasting door ons eigen handelen terug te dringen, kunnen we misschien dat laatste stukje levende koraal beschermen. We moeten voorkomen dat die vijf procent uiteindelijk ook verdwijnt. Hopelijk kan het zich herstellen. Maar daarvoor moeten we wel nú beginnen.





































