Curaçaohuis verliest rechtszaak: medewerker die broer van corruptie beschuldigde, behoudt zijn baan

· - leestijd 2 minuten
Carlton Manuel
Carlton Manuel

DEN HAAG/WILLEMSTAD – Het Land Curaçao mag de arbeidsovereenkomst van een medewerker van het Curaçaohuis in Den Haag niet ontbinden vanwege onder meer een interne corruptiebeschuldiging tegen zijn broer, de inmiddels afgetreden Gevolmachtigd Minister. De rechtbank in Den Haag heeft het verzoek van het Curaçaohuis afgewezen.


De medewerker kwam in 2021 in dienst van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao. Aanvankelijk liep zijn contract gelijk met de ambtsperiode van zijn broer, maar in 2024 werd dat omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Tijdens een personeelsvergadering in maart 2025 bracht de medewerker naar voren dat hij beschikte over audio-opnames waarin volgens hem een eigenaar van een taxibedrijf sprak over het afstaan van 20 procent van zijn inkomsten. De medewerker koppelde die kwestie aan zijn broer, die toen Gevolmachtigd Minister was.

Het Curaçaohuis stelde later dat de medewerker zijn broer zonder voldoende onderbouwing van corruptie had beschuldigd en dat de opnames buiten de organisatie waren gaan circuleren. Ook werden hem onder meer ongeoorloofde nevenwerkzaamheden, gebruik van de ambtswoning en publieke uitlatingen over interne zaken verweten. Het Land Curaçao vroeg daarom de kantonrechter om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen.

Rekenkamer onderzoekt beschuldiging nog

De rechter stelt vast dat de Algemene Rekenkamer Curaçao sinds april 2026 onderzoek doet naar het handelen van de voormalige Gevolmachtigd Minister, waaronder de kwestie rond de taxi-inkomsten.

Zolang dat onderzoek niet is afgerond, kan volgens de rechter niet worden vastgesteld dat de beschuldiging van de medewerker feitelijk onjuist of ongefundeerd was. Als later blijkt dat de beschuldiging in de kern klopt, kan het uiten daarvan volgens de rechtbank niet zonder meer als verwijtbaar handelen worden gezien.

De Staten hadden de Rekenkamer eind 2025 gevraagd onderzoek te doen naar de integriteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van het financiële beleid binnen het Curaçaohuis en van de Gevolmachtigd Minister over de periode 2022 tot en met 2025.

Geen formele meldprocedure

Opvallend is ook dat de rechter constateert dat binnen het Curaçaohuis geen formeel vastgestelde procedure bestond voor werknemers die ernstige vermoedens van misstanden wilden melden.

Het Curaçaohuis voerde aan dat de medewerker met zijn informatie naar ministers in Willemstad, het Openbaar Ministerie of de Landsrecherche had kunnen gaan. Maar volgens de kantonrechter is niet gebleken dat voor hem duidelijk was dat dit de aangewezen routes waren. Dat hij zijn zorgen tijdens een interne personeelsvergadering naar voren bracht, is daarom op zichzelf onvoldoende voor ontslag.

Ook is volgens de rechtbank niet bewezen dat de medewerker verantwoordelijk was voor het uitlekken van de audio-opnames. Het Curaçaohuis stelde dat de opnames uiteindelijk bij Curaçaose parlementariërs en daarna in de openbaarheid terechtkwamen, maar leverde onvoldoende concrete feiten om vast te stellen dat de medewerker ze zelf had verspreid.

Nevenwerk wel in strijd met contract

De rechter stelt wel vast dat de medewerker betrokken was bij werkzaamheden voor een onderneming van een derde zonder dat voldoende is aangetoond dat hij daarvoor toestemming van zijn werkgever had. Daarmee heeft hij strikt genomen zijn arbeidscontract geschonden.

Dat is volgens de kantonrechter echter niet ernstig genoeg om ontslag te rechtvaardigen. Het Curaçaohuis heeft onvoldoende aangetoond dat sprake was van belangenverstrengeling of dat de werknemer persoonlijk financieel voordeel had vanwege zijn functie.

Ook het gebruik van de ambtswoning kan hem volgens de rechter niet worden tegengeworpen. De medewerker stelde dat hij daar op uitnodiging van zijn broer, destijds de hoogste functionaris binnen het Curaçaohuis, verbleef. Die verantwoordelijkheid lag volgens de rechtbank bij de toenmalige Gevolmachtigd Minister.

Nieuwe start mogelijk

Het Curaçaohuis stelde daarnaast dat de arbeidsrelatie onherstelbaar was verstoord. Ook dat argument houdt volgens de rechtbank geen stand.

De voormalige Gevolmachtigd Minister trad in januari 2026 af en sinds juli is een nieuwe Gevolmachtigd Minister in functie. De rechter zegt niet in te zien waarom de medewerker onder de nieuwe leiding geen nieuwe start zou kunnen maken. Ook heeft het Curaçaohuis volgens de rechtbank onvoldoende geprobeerd de relatie te herstellen, bijvoorbeeld via gesprekken of mediation.

De kantonrechter concludeert dat geen van de aangevoerde ontslaggronden voldoende is onderbouwd. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is daarom afgewezen. Curaçao moet daarnaast 1.009 euro aan proceskosten betalen.


119 keer gelezen

Deel dit artikel: