Universiteit Curaçao erkent: organisatie te zwak voor structureel onderzoek

WILLEMSTAD - De Universiteit van Curaçao kiest in haar nieuwe strategische koers niet tegen onderzoek, maar trekt een pijnlijke conclusie: de instelling is organisatorisch onvoldoende toegerust om onderzoek structureel en op niveau te dragen. In het strategisch plan voor de periode 2025–2029 erkent de universiteit dat het huidige onderzoek te sterk leunt op individuele inzet en goodwill, en dat eerst de interne basis moet worden versterkt.
Die constatering markeert een duidelijke breuk met eerdere ambities waarin onderwijs, onderzoek en maatschappelijke impact vaak gelijkwaardig werden gepresenteerd.
Volgens de universiteit is die balans in de praktijk niet haalbaar gebleken. Kernprocessen functioneren niet stabiel genoeg, verantwoordelijkheden zijn versnipperd en ondersteuning voor onderzoekers is beperkt. Daardoor wordt onderzoek veelal “erbij gedaan”, naast onderwijs en administratieve taken.
In het plan stelt de Universiteit van Curaçao dat het ontbreken van een robuuste organisatie directe gevolgen heeft voor de kwaliteit en continuïteit van onderzoek. Onderzoekers zijn niet alleen verantwoordelijk voor de inhoud, maar ook voor subsidieaanvragen, verantwoording en projectadministratie. Zonder professionele ondersteuning blijft onderzoek afhankelijk van persoonlijke motivatie en individuele netwerken, in plaats van institutionele capaciteit.
Financieel
Ook financieel vormt onderzoek een kwetsbaar punt. Structureel en fundamenteel onderzoek vraagt om stabiele financiering, maar die ontbreekt. De universiteit is grotendeels aangewezen op incidentele projecten en externe opdrachten.
Dat maakt het moeilijk om een samenhangende onderzoeksagenda te ontwikkelen of onderzoekers langdurig te binden. In het strategisch plan wordt daarom expliciet gesteld dat eerst met de overheid moet worden gesproken over structurele bekostiging, voordat verdere onderzoeksambities realistisch zijn.
Accreditatiedruk
Daar komt bij dat de universiteit onder toenemende kwaliteits- en accreditatiedruk staat. Voor universitaire opleidingen is onderzoek geen vrijblijvende extra, maar een vereiste. Tegelijkertijd blijkt uit interne evaluaties dat de organisatie als geheel nog niet voldoet aan alle randvoorwaarden die daarbij horen.
De keuze om de komende jaren prioriteit te geven aan governance, kwaliteitszorg en interne samenhang is volgens de universiteit noodzakelijk om later onderzoek duurzaam te kunnen verankeren.
Het bestaande onderzoeksinstituut, UCRI, wordt in het plan wel genoemd, maar ook daar klinkt terughoudendheid. De structuur is nog onvoldoende ingebed in de faculteiten en beschikt niet over de middelen en ondersteuning die nodig zijn om als motor van universitair onderzoek te fungeren. Zonder die verankering blijft onderzoek versnipperd en persoonsafhankelijk.
Herstellen en professionaliseren
De boodschap van het strategisch plan is daarmee ongebruikelijk eerlijk. De universiteit presenteert zichzelf niet als een instelling die tijdelijk minder onderzoek wil doen, maar als een organisatie die eerst moet herstellen en professionaliseren. Pas als het “huis op orde” is, kan onderzoek weer een volwaardige en structurele plaats krijgen.
Die keuze maakt de komende jaren cruciaal. Lukt het om de organisatie daadwerkelijk te versterken, dan kan onderzoek op termijn worden uitgebouwd. Blijft die versterking uit, dan dreigt het risico dat onderzoek structureel naar de achtergrond verdwijnt. De UoC erkent dat spanningsveld nu zelf, en legt daarmee de lat hoog voor haar eigen hervormingsagenda.





































