Maduro zet volgende stap in onderwijsdebat: ‘Niet alleen leerlingen, maar het systeem zelf moet worden bevraagd’

· - leestijd 2 minuten
Afbeelding

WILLEMSTAD – Docent en ondernemer Eugène Maduro is in zijn nieuwste bijdrage over het Curaçaose onderwijs verder gegaan dan in zijn opiniestukken daarvoor. Waar hij zich eerder vooral richtte op afzonderlijke onderdelen van het onderwijs, stelt hij nu een fundamentelere vraag: is het huidige onderwijssysteem zelf wel voldoende vanuit Curaçao ontworpen? Onderwijs is volgens Maduro de plek waar een autonoom land als eerste moet laten zien dat het zelf richting kan geven aan zijn toekomst.


In eerdere bijdragen voor Curaçao.nu schreef Maduro onder meer over exameneisen, ondernemerschap, financiële geletterdheid en de plaats van Caribische geschiedenis en denkers in het curriculum. In zijn laatste bijdrage brengt hij die onderwerpen samen in een bredere visie op onderwijs, autonomie en maatschappelijke ontwikkeling.

Zijn kritiek richt zich daarbij niet zozeer op Nederland als zodanig, maar op wat hij ziet als de vanzelfsprekendheid waarmee Nederlandse uitgangspunten nog als maatstaf worden gehanteerd. Curaçao heeft volgens Maduro een eigen geschiedenis, cultuur en meertalige werkelijkheid en zou daarom veel nadrukkelijker zelf moeten bepalen welke kennis, vaardigheden en waarden in het onderwijs centraal staan. In zijn bijdrage schrijft hij dat het probleem ontstaat wanneer de historische band met Nederland verandert in een voortdurende afhankelijkheid.

Onderwijs als uitdrukking van autonomie

Daarmee verschuift Maduro zijn eerdere kritiek van afzonderlijke onderwijsregels naar de inrichting van het systeem zelf. Sinds 10 oktober 2010 beschikt Curaçao volgens hem over meer ruimte om zelfstandig richting te geven aan de samenleving. Hij vindt dat die autonomie ook zichtbaar moet worden in een eigen onderwijsvisie.

Niet de vraag wat Nederland doet of welke modellen kunnen worden overgenomen, moet volgens hem leidend zijn, maar wat Curaçaose kinderen nodig hebben om in de eigen samenleving én internationaal succesvol te functioneren. Hij noemt daarbij kritisch denken, ondernemerschap, financiële geletterdheid, digitale vaardigheden, kunstmatige intelligentie, communicatie en probleemoplossend vermogen.

In een reactie op vragen van Curaçao.nu bevestigt Maduro dat dit de kern van zijn betoog is. „Als wij niet bewust zijn dat wij een autonoom land zelf kunnen en moeten creëren, ontwerpen en beslissen over onze toekomst, gaat niets veranderen”, zegt hij. „Je onderwijs is jouw katalysator. Daar moet je autonomie als eerste laten zien.”

Historische afhankelijkheid

Maduro koppelt die terughoudendheid om zelf keuzes te maken ook aan de sociale geschiedenis van Curaçao. Volgens hem heeft de neiging om buitenlandse modellen als vanzelfsprekend uitgangspunt te nemen mede historische wortels.

In zijn bijdrage noemt hij het huidige onderwijs voor een belangrijk deel een koloniale erfenis. Koloniale structuren kunnen volgens hem niet alleen voortleven in geschiedenisboeken, maar ook in ideeën over wat als waardevolle kennis geldt, welke taal intellectueel gezag krijgt en wie als autoriteit wordt beschouwd.

Dat betekent volgens Maduro niet dat Nederlands uit het onderwijs moet verdwijnen. Hij ziet meertaligheid juist als een kracht van Curaçao en pleit voor een stevige positie van Papiamentu naast goed onderwijs in Nederlands, Engels en Spaans.

Minder verwijt, meer oplossingen

Tegelijk wil Maduro zijn kritiek niet neerzetten als een aanklacht tegen individuele politici, beleidsmakers of Nederland. Hij zegt bewust te proberen minder verwijtend te schrijven.

„Ik wil deel zijn van de oplossingen en alternatieven”, zegt hij. Volgens Maduro is terugkijken naar historische onrechtvaardigheden en naar de oorsprong van huidige problemen wel noodzakelijk om te begrijpen waarom bepaalde patronen blijven bestaan.

Daarmee verschilt deze bijdrage ook in toon van een klassieke systeemkritiek. Maduro probeert historische afhankelijkheid te benoemen, maar koppelt die direct aan voorstellen voor een andere inrichting van het onderwijs.

Ook media krijgen een rol

Nieuw in zijn betoog is bovendien dat hij journalisten en nieuwsmedia rechtstreeks aanspreekt. Onderwijs krijgt volgens hem meestal aandacht wanneer zich een examenprobleem, staking, incident of praktisch conflict voordoet. Fundamentele vragen over onderwijsvisie, curriculum, taal en kwaliteit worden veel minder structureel gesteld.

Op de vraag of journalisten daarin een andere rol zouden moeten spelen, antwoordt Maduro dat niemand op dezelfde manier journalistiek hoeft te bedrijven, maar dat journalisten volgens hem ten minste kritisch moeten durven zijn.

Zijn kritiek richt zich daarmee niet op de gedachte dat media een bepaalde onderwijsvisie zouden moeten ondersteunen, maar dat zij vaker de uitgangspunten achter het bestaande systeem zouden moeten onderzoeken.

Van onderwijsvernieuwing naar zelfstandigheid

De grootste verandering ten opzichte van zijn eerdere bijdragen zit uiteindelijk in de schaal van zijn betoog. Maduro vraagt niet langer alleen om aanpassing van regels, vakken of curricula. Hij koppelt onderwijs aan de vraag wat autonomie in de praktijk betekent.

Politieke autonomie alleen is volgens hem onvoldoende wanneer een samenleving voor kennis, normen en oplossingen voortdurend naar buiten blijft kijken. In zijn bijdrage noemt hij intellectuele zelfstandigheid daarom een noodzakelijke aanvulling op politieke zelfstandigheid.

Zijn centrale vraag vat die ontwikkeling samen: niet alleen of Curaçaose leerlingen goed genoeg presteren binnen het bestaande onderwijs, maar of het bestaande systeem zelf wel goed genoeg is voor Curaçaose kinderen.


116 keer gelezen

Deel dit artikel: