‘Terwijl Curaçao praat over taal, groeit een veel groter probleem’

· - leestijd 6 minuten
Voorlezen op school
Voorlezen op school Foto’s: Dick Drayer

WILLEMSTAD - Terwijl Curaçao volop discussieert over de taal van het onderwijs, dreigt volgens VPCO-bestuursvoorzitter Thomas Domhoff een veel groter probleem uit beeld te verdwijnen. Te veel kinderen beginnen hun schoolloopbaan al met een achterstand, lezen steeds minder en krijgen onvoldoende ruimte om vaardigheden te ontwikkelen die in een wereld van kunstmatige intelligentie juist steeds belangrijker worden. Volgens Domhoff staat daarmee niet alleen de kwaliteit van het onderwijs onder druk, maar ook de toekomstige ontwikkeling van het eiland. Wat moet er veranderen om die trend te keren?


Door | Thomas Domhoff

In een tijd waarin lezen achteruitgaat, armoede kansen beperkt en kunstmatige intelligentie steeds meer kennis reproduceert, moet Curaçao investeren in zowel basisvaardigheden als creativiteit.

De afgelopen weken verschenen in Nederland zorgwekkende resultaten uit het International Early Learning and Child Wellbeing Study (IELS) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De Volkskrant rapporteerde daar uitgebreid over. Nederlandse vijfjarigen blijken op meerdere ontwikkelingsgebieden onder het internationale gemiddelde te scoren. De conclusie van verschillende onderwijsdeskundigen was opvallend eenvoudig: de leescrisis begint niet in het voortgezet onderwijs en zelfs niet in groep 6. De achterstanden ontstaan vaak al voordat een kind voor het eerst een klaslokaal binnenloopt.

Versterkte vorm

Wie denkt dat dit uitsluitend een Nederlands probleem is, vergist zich. Op Curaçao zien wij dezelfde ontwikkelingen, maar vaak in versterkte vorm. Dat komt doordat wij niet alleen te maken hebben met de wereldwijde afname van lezen, concentratie en taalvaardigheid onder invloed van sociale media en digitalisering, maar ook met factoren die specifiek zijn voor onze samenleving: armoede en groeiende verschillen in ontwikkelingskansen.

Volgens recente cijfers leeft ongeveer één op de drie huishoudens op Curaçao onder of rond de armoedegrens. Achter die statistiek schuilt een werkelijkheid die iedere leerkracht dagelijks herkent. Kinderen die met honger naar school komen. Kinderen die geen of weinig boeken in huis hebben. Kinderen die thuis minder worden voorgelezen. Kinderen die opgroeien in een omgeving waar ouders vooral bezig zijn met het rondkrijgen van de maand en minder tijd hebben voor taalontwikkeling, huiswerkbegeleiding of educatieve activiteiten.

Dat is geen verwijt aan ouders. Integendeel. De meeste ouders willen het beste voor hun kinderen. Maar armoede creëert beperkingen die verder reiken dan inkomen alleen. Internationaal onderzoek laat zien dat langdurige financiële onzekerheid invloed heeft op concentratie, taalontwikkeling, cognitieve groei en sociaal-emotionele ontwikkeling. Het gevolg is dat sommige kinderen hun schoolloopbaan beginnen met een achterstand die vaak jarenlang of soms levenslang zichtbaar blijft.

Eerste levensjaren

Daarom begint goed onderwijs niet in groep 1. Het begint in de eerste levensjaren. Binnen de VPCO zien wij dagelijks de meerwaarde van voorschoolse educatie via onze peuteropleidingen De Pareltjes. Kinderen die daar leren functioneren in een groep, kennismaken met taal, structuur en beginnende geletterdheid, starten vaak met een duidelijke voorsprong aan hun reguliere schoolloopbaan. Die voorsprong is direct zichtbaar in groep 1 en blijft niet zelden zichtbaar tot en met groep 8. Juist daarom moeten wij onderwijs niet zien als iets dat begint op vierjarige leeftijd, maar als een doorlopende ontwikkelingslijn vanaf de peuterjaren.

Tegelijkertijd zou het te gemakkelijk zijn om de huidige uitdagingen uitsluitend te verklaren vanuit armoede. Er speelt namelijk nog een tweede ontwikkeling. Op Curaçao wordt het onderwijsdebat vaak gevoerd als een discussie tussen Nederlands en Papiaments. Dat is begrijpelijk. Taal raakt identiteit, cultuur en geschiedenis. Maar in de dagelijkse onderwijspraktijk zien wij dat de werkelijke uitdaging inmiddels breder is geworden. Nederlandstalige leerlingen hebben steeds vaker moeite met lezen en schrijven in het Nederlands. Papiamentstalige leerlingen ervaren vergelijkbare problemen binnen hun eigen moedertaal. Hetzelfde geldt voor kinderen die thuis Spaans of Engels spreken.

De uitdaging is niet langer welke taal belangrijker is. De uitdaging is hoe wij ervoor zorgen dat kinderen überhaupt weer meer lezen, langere teksten verwerken en een rijke woordenschat ontwikkelen.

Investeren in meertaligheid

Daarom moeten wij niet kiezen tussen talen. Wij moeten investeren in meertaligheid. Juist internationaal onderzoek laat zien dat kinderen die meerdere talen op jonge leeftijd leren vaak sterker worden in hun algemene taalontwikkeling. Meertaligheid is geen bedreiging voor onze kinderen of onze identiteit. Het is één van de grootste concurrentievoordelen die Curaçao bezit.

Binnen de VPCO hebben wij tweetaligheid, vroeg vreemde talen en vervolgens ook meertalig onderwijs de laatste tien jaar op het funderend en voortgezet onderwijs een centrale plaats gegeven. We zien de vruchten ervan niet omdat wij het zeggen, maar omdat wij jaarlijks de ouders van meer dan zeshonderd leerlingen in het funderend en voortgezet onderwijs moeten teleurstellen door plaatsgebrek.

Ongemakkelijke vraag

Toch moeten wij onszelf een ongemakkelijke vraag stellen. Lezen wij eigenlijk nog wel genoeg? Niet alleen kinderen, maar ook volwassenen?

Internationaal zien wij een afnemende concentratiespanne, een verschuiving naar korte berichten, filmpjes en sociale media, en een afnemende leescultuur. Wanneer kinderen minder lezen, heeft dat gevolgen die veel verder gaan dan taal alleen. Lezen beïnvloedt woordenschat, begrijpend vermogen, analytisch denken, empathie en uiteindelijk ook prestaties in andere vakken zoals rekenen en wetenschap.

En hier ontstaat een tweede uitdaging. Want terwijl wij terecht aandacht vragen voor taalontwikkeling, mogen wij niet vergeten dat de wereld ondertussen fundamenteel verandert. Kunstmatige intelligentie schrijft teksten, maakt analyses, programmeert software en genereert beelden. Kennis wordt steeds toegankelijker en goedkoper.

In zo’n wereld worden juist die vaardigheden belangrijker die machines moeilijk kunnen vervangen: creativiteit, empathie, samenwerking, ondernemerschap, verbeeldingskracht en probleemoplossend vermogen. De creatieve vakken op school worden dus veel belangrijker voor de toekomst van onze kinderen.

De Britse onderwijsdenker Sir Ken Robinson waarschuwde hier al jaren geleden voor. Volgens hem zijn scholen vaak uitstekend in het ontwikkelen van convergent denken: het vinden van het juiste antwoord. Maar innovatie ontstaat meestal door divergent denken: het vermogen om meerdere antwoorden te zien, nieuwe vragen te stellen en bestaande aannames ter discussie te stellen.

Zijn beroemdste observatie blijft misschien wel dat bijna alle kleuters uitzonderlijk hoog scoren op divergent denken, terwijl dit vermogen gedurende de schoolloopbaan vaak afneemt. Niet omdat kinderen minder intelligent worden. Maar omdat zij geleidelijk leren dat er meestal maar één juist antwoord bestaat. Dat zou ons aan het denken moeten zetten.

Meer contextuele ruimte

De stap op Curaçao naar exclusief een Onderwijskundig Rapport zonder Eindtoets Funderend Onderwijs, dat een veel langere onderwijsreferentie gebruikt van minstens drie opeenvolgende schooljaren van groep 6 tot en met groep 8, helpt meer contextuele ruimte te creëren voor kinderen.

Maar we hebben op funderend onderwijsniveau toch echt dertig tot vijfenveertig minuten meer onderwijstijd nodig, elke dag, om creatieve vakken zoals handenarbeid, tekenen, muziek en theater, of in het voortgezet onderwijs drama, techniek, dans, muziek en sport meer ruimte te geven. Ze worden nog te vaak opgeofferd ten gunste van andere vakken.

Dat moet in harmonie met het ministerie van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport en de vakbonden haalbaar zijn, zolang de totale arbeidstijd van de docent niet toeneemt. Door administratieve taken via verdere digitalisering en kunstmatige intelligentie bij de leraar weg te nemen, kan de leraar doen waar hij of zij goed in is en waar het hart ligt: lesgeven.

Een kind dat niet leert lezen, wordt beperkt in zijn kansen. Maar een kind dat alleen leert reproduceren wat anderen al bedacht hebben, wordt eveneens beperkt in zijn mogelijkheden.

Een andere balans

Juist daarom proberen wij binnen de VPCO een andere balans te vinden. Niet door lagere eisen te stellen. Integendeel. Wij geloven dat sterke basisvaardigheden en creativiteit elkaar versterken.

Ook wij worstelen met te korte lestijden en missen meer ruimte voor creatieve vakken. Maar sinds dit schooljaar investeren wij in kleinere klassen binnen het funderend onderwijs. De gemiddelde groepsgrootte wordt geleidelijk teruggebracht van ongeveer negenentwintig à dertig naar circa vijfentwintig leerlingen.

Ook binnen het speciaal onderwijs van de Dividivi-school wordt gekeken hoe meer ruimte kan ontstaan voor individuele begeleiding en differentiatie.

Dat is nog lang geen onderwijs op maat. Maar het creëert wel meer ruimte voor de leraar om naar het individuele kind te kijken. Want onderwijs blijft uiteindelijk mensenwerk. Geen enkel rapport, geen enkele methode en geen enkele technologie kan de relatie vervangen tussen een betrokken leerkracht en een leerling die zich gezien voelt.

Dat is uiteindelijk wat kinderen zich later herinneren. Niet de toets van dinsdagmiddag. Niet het werkblad van donderdag. Maar de leraar die hen motiveerde, inspireerde en liet geloven in hun eigen mogelijkheden.

Meer maatschappelijke taken

Tegelijkertijd moeten wij erkennen dat scholen steeds meer maatschappelijke taken krijgen. Problemen rondom armoede, gedrag, mentale gezondheid en sociale ontwikkeling komen dagelijks het klaslokaal binnen. Scholen worden steeds vaker ook zorginstellingen, terwijl de financiering daarvoor nauwelijks meegroeit.

Er ontbreekt simpelweg voldoende geld vanuit het ministerie van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport voor meer sociaal-maatschappelijk werkers en interne begeleiders.

De toekomst van Curaçao wordt uiteindelijk niet bepaald door de hoeveelheid beleidsnota’s die wij produceren. Zij wordt bepaald door wat er vandaag gebeurt in onze peuteropvang, in groep 1, in onze schoolbibliotheken en in onze klaslokalen.

Willen wij een samenleving waarin onze kinderen leren lezen én leren denken?

Willen wij een samenleving waarin meertaligheid een kracht is?

Willen wij een samenleving waarin creativiteit en sport op school niet worden gezien als luxe, maar als economische noodzaak?

Dan moeten wij verder kijken dan de discussies van vandaag.

Investeren in alles

De echte uitdaging voor Curaçao is niet kiezen tussen taal, creativiteit, sport of technologie. De echte uitdaging is investeren in alles.

Want in een wereld waarin kunstmatige intelligentie steeds meer kennis kan reproduceren, zullen juist menselijke kwaliteiten het verschil maken: taalvaardigheid, nieuwsgierigheid, verbeeldingskracht, empathie en creativiteit.

Dat zijn geen zachte vaardigheden. Dat zijn de ontwikkelkansen die onze kinderen nodig hebben en de vaardigheden waarop de toekomstige welvaart van Curaçao zal worden gebouwd.


598 keer gelezen

Deel dit artikel: