Curaçao betaalt hogere bijstand al drie jaar, maar de wet staat het nog altijd niet toe

WILLEMSTAD – Curaçao betaalt sinds juli 2023 een dertig procent hogere bijstandsuitkering, terwijl daarvoor nog altijd geen deugdelijke wettelijke basis bestaat. De Sociaal-Economische Raad waarschuwt dat dit de rechtszekerheid, de rechtmatigheid van de betalingen en de controle op de overheidsuitgaven aantast.
De wetsvoorstellen waarmee de regering de situatie achteraf wil repareren, zijn volgens de SER in hun huidige vorm niet klaar voor verdere behandeling.
Dat staat in een advies dat de SER op 14 augustus heeft vastgesteld over de wijziging van de bijstandsverordening. De regering wil de verhoging van dertig procent, die sinds 17 juli 2023 al wordt uitbetaald, alsnog met terugwerkende kracht wettelijk regelen. De SER ondersteunt het doel van die reparatie, maar vindt dat de voorgestelde wetgeving juridisch, financieel en uitvoeringstechnisch eerst moet worden aangepast.
De raad stemt wel in met de hoogte van de nieuwe bijstandsbedragen. Voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder gaat het om 211,12 gulden per twee weken. Voor gehuwden is dat 365,43 gulden. Die bedragen liggen precies dertig procent boven de normen die in 2012 zijn vastgesteld.
Ver onder armoedegrens
Maar volgens de SER is die verhoging vooral een inhaalbeweging. De dertig procent compenseert ongeveer de prijsstijging tussen 2012 en 2023, maar levert nog geen toereikend sociaal minimum op.
Voor een alleenstaande komt de basisbijstand volgens de raad uit op ongeveer 29 procent van de officiële armoedegrens. Voor twee volwassenen is dat afgerond 32 procent. Bij alleenstaande ouders is de verhouding, afhankelijk van het aantal kinderen, nog ongunstiger.
De SER vindt daarom dat de verhoging niet mag worden voorgesteld als een oplossing voor armoede. Het gaat volgens de raad vooral om herstel van koopkracht die sinds 2012 verloren is gegaan.
Wet loopt achter op praktijk
Een juridisch probleem is dat de hogere uitkering voor gehuwden boven het maximum ligt dat nu nog in de wet staat. De voorgestelde norm van 365,43 gulden per twee weken overschrijdt het huidige wettelijke maximum van 320,47 gulden.
Dat maximum moet daarom eerst worden verhoogd. De SER steunt het onderdeel van het wetsvoorstel waarmee dat gebeurt, maar verlangt dat de wetswijziging en het bijbehorende landsbesluit tegelijk en met dezelfde terugwerkende kracht ingaan.
De raad verzet zich tegen andere onderdelen van het voorstel. Zo vindt de SER dat de regering zichzelf te ruime bevoegdheden wil geven om belangrijke delen van het bijstandsstelsel later via een landsbesluit te wijzigen. Structurele indexering van de bijstand moet volgens de raad in een afzonderlijke wettelijke regeling worden uitgewerkt, met onder meer een objectieve CBS-index en bescherming tegen verlaging van de uitkering.
Kosten onvoldoende onderbouwd
Ook financieel is het dossier volgens de SER nog niet op orde. De regering rekent met een jaarlijkse last van bijna veertien miljoen gulden, maar heeft volgens de raad niet inzichtelijk gemaakt waarop dat bedrag precies is gebaseerd.
Brongegevens ontbreken, evenals een uitsplitsing naar huishoudtype en een aansluiting op wat sinds juli 2023 daadwerkelijk is betaald. De SER komt zelf, uitgaande van 6.500 volledige dossiers, op een theoretische jaarlast tussen ruim acht miljoen en ruim veertien miljoen gulden.
Voordat het voorstel verder wordt behandeld, moeten Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn en Financiën daarom gezamenlijk een financiële bijlage opstellen. Daarin moeten onder meer de al verrichte betalingen, eventuele herstelbetalingen, uitvoerings- en ICT-kosten en de begrotingsdekking voor meerdere jaren worden opgenomen.
Hele stelsel herzien
De SER wil bovendien dat de regering verder kijkt dan deze juridische reparatie. De raad adviseert een afzonderlijke, volledige herziening van het bijstandsstelsel.
Daarbij moet opnieuw worden bepaald wat mensen minimaal nodig hebben om van te leven. Ook kindgebonden kosten, vermogensgrenzen, mogelijkheden om weer aan het werk te gaan en automatische indexering moeten daarin worden meegenomen.
De SER verlangt daarnaast een uitvoeringstoets, binnen zes maanden na invoering een openbare nulmeting, daarna jaarlijkse rapportages en na twee volledige uitvoeringsjaren een onafhankelijke evaluatie.





































