‘Koninkrijk moet eerder optreden bij mensenrechtenschendingen’

· - leestijd 2 minuten
Afbeelding

WILLEMSTAD – De Koninkrijksregering moet volgens twee juristen niet wachten tot mensenrechtenschendingen op Curaçao, Aruba of Sint Maarten zijn vastgelopen in jarenlange procedures. De waarborgfunctie in het Statuut vraagt volgens hen om een actievere vorm van toezicht. Dat hoeft niet meteen ingrijpen vanuit Den Haag te betekenen: juist samenwerking, hulp en overleg tussen de vier landen zouden veel eerder moeten worden ingezet.


Dat schrijven jurist Jeffrey Sybesma en hoogleraar Rob van Gestel in het septembernummer van juridisch tijdschrift van Ars Aequi. Zij onderzoeken daarin wat recente mensenrechtenzaken betekenen voor de autonomie van Curaçao, Aruba en Sint Maarten en voor de verantwoordelijkheid van het Koninkrijk.

De drie Caribische landen zijn volgens artikel 41 van het Statuut zelfstandig verantwoordelijk voor hun eigen aangelegenheden. Maar artikel 43 stelt daar een belangrijke grens aan. Ieder land moet zelf zorgen voor fundamentele rechten, rechtszekerheid en goed bestuur, terwijl het waarborgen daarvan een verantwoordelijkheid van het Koninkrijk als geheel is.

Tot nu toe wordt die waarborgfunctie terughoudend gebruikt. Ingrijpen geldt doorgaans als ultimum remedium: het uiterste middel wanneer een land zelf niet meer in staat is een probleem op te lossen.

Volgens Sybesma en Van Gestel is de vraag of die benadering bij mensenrechten nog houdbaar is.

Niet wachten tot het misgaat

De Raad van State pleit al langer voor een actievere benadering. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen toezicht om acute problemen te voorkomen of op te lossen en intensievere samenwerking om structurele problemen aan te pakken.

De twee juristen gaan een stap verder. Wanneer sprake is van structurele ongelijkheid bij de bescherming van mensenrechten, kan volgens hen niet worden volstaan met wachten tot ingrijpen onvermijdelijk wordt. Er ontstaat dan juist een actieve toezichthoudende verantwoordelijkheid.

Die hoeft volgens hen niet in de eerste plaats te bestaan uit zware maatregelen waarbij het Koninkrijk bevoegdheden van een Caribisch land overneemt. Het Statuut kent ook minder vergaande instrumenten. Artikel 36 verplicht de landen elkaar hulp en bijstand te verlenen. Artikelen 37 en 38 bieden mogelijkheden voor overleg en gezamenlijke regelingen. Volgens de auteurs wordt van die samenwerking nu onvoldoende gebruikgemaakt.

Pas wanneer dergelijke samenwerking tekortschiet, komen dwingender instrumenten uit het Statuut in beeld.

Rechtszaken veranderen verhouding

Aanleiding voor de analyse is onder meer de klimaatzaak die Greenpeace namens inwoners van Bonaire tegen de Nederlandse Staat heeft aangespannen. De rechtbank Den Haag oordeelde dat Nederland zich bij de naleving van mensenrechten niet kan verschuilen achter de interne staatsrechtelijke verdeling van verantwoordelijkheden.

Dat kan volgens Sybesma en Van Gestel uiteindelijk ook de verhouding met Curaçao, Aruba en Sint Maarten veranderen. Wanneer maatschappelijke organisaties Nederland rechtstreeks kunnen aanspreken op mensenrechtenschendingen in de autonome landen, heeft Nederland er zelf belang bij eerder te voorkomen dat zulke schendingen ontstaan. De auteurs achten het daarom denkbaar dat artikel 43 verschuift van een terughoudend gebruikte bevoegdheid naar een proactiever toezichtmechanisme.

Daarmee verschuift ook de discussie. Niet pas na een veroordeling moet worden gevraagd wie verantwoordelijk is, maar eerder: ziet het Koninkrijk tijdig toe op voldoende bescherming van fundamentele rechten?

Curaçao vreest aantasting autonomie

Dat ligt politiek gevoelig. Curaçao, Aruba en Sint Maarten hebben zich juist tegen een ruimere toepassing van de waarborgfunctie gekeerd. Zij vinden dat eenzijdig ingrijpen vanuit het Koninkrijk uitzondering moet blijven. De Staten van Curaçao verzetten zich eerder dit jaar expliciet tegen wat zij zien als verdere aantasting van de autonomie.

Sybesma en Van Gestel erkennen dat de autonome landen primair verantwoordelijk blijven. Hun betoog betekent dus niet dat Nederland voortaan ieder probleem op Curaçao kan overnemen.

Wel stellen zij dat beperkte financiële middelen, gebrek aan personeel of een beroep op autonomie niet zonder meer kunnen rechtvaardigen dat inwoners van de Caribische landen een lager niveau van mensenrechtenbescherming krijgen. Mensenrechtenbescherming is vanuit het EVRM uiteindelijk een verantwoordelijkheid van het Koninkrijk als geheel.

Eerst samenwerken, vóór de rechter ingrijpt

Daarmee komt het tweede gevolg van de recente rechtspraak in beeld. Burgers en maatschappelijke organisaties krijgen niet alleen nieuwe mogelijkheden om Nederland rechtstreeks juridisch aan te spreken; het Koninkrijk zelf krijgt meer reden om vóór zo’n rechtszaak in actie te komen.

Volgens de auteurs zou daarom vooral de samenwerkingsplicht uit het Statuut veel concreter moeten worden gemaakt. De vier regeringen zouden moeten bepalen hoe zij gezamenlijk voorkomen dat fundamentele rechten op een van de eilanden structureel achterblijven.

Hun slotwaarschuwing is duidelijk: als de landen daar politiek geen invulling aan geven, bestaat de kans dat uiteindelijk de rechter bepaalt hoever de verantwoordelijkheid van het Koninkrijk reikt.


98 keer gelezen

Deel dit artikel: