Duurzaamheid kost niets als je alleen maar praat

· - leestijd 4 minuten
Afbeelding

In deze opiniebijdrage zet Edwin ‘Makambi’ Flemeling vraagtekens bij de manier waarop Curaçao zich internationaal presenteert als voorstander van duurzaamheid en natuurbescherming. Volgens hem staat die ambitie in schril contrast met de lokale praktijk: vervuiling van de zee, aantasting van kustgebieden, gebrekkige natuurbescherming en steeds meer weerstand tegen bouwprojecten. Duurzaamheid vraagt volgens Flemeling niet om nieuwe visies en conferenties, maar om concrete keuzes, wetgeving en handhaving.


door | Makambi

Enige tijd geleden verscheen in de media een persbericht van de overheid over een ontmoeting met de tweede vicepresident van Costa Rica, in de marge van de installatie van de nieuwe president van dat land. Volgens het onderschrift spraken de hoogwaardigheidsbekleders over oceanen, duurzaamheid, bescherming van de zeeën, volksgezondheid, samenwerking in de zorg, het voorkomen van dubbele belasting en het stimuleren van handel. Verder werd nog eens plechtig benadrukt dat beide landen een “gedeelde visie” hebben op duurzaamheid, ontwikkeling en regionale samenwerking.

Een gedeelde visie. Dat klinkt indrukwekkend maar visies kosten niets. Visies kun je onbeperkt produceren, exporteren en recycleren zonder dat er ook maar één koraal minder sterft of één mangrove extra beschermd wordt. Laten we ons beperken tot die prachtige woorden: duurzaamheid, ontwikkeling en bescherming van oceanen.

Oceanen

Om met die oceanen te beginnen. Voor het gemak promoveren we de Caribische Zee maar tot “oceaan”, want in internationale toespraken klinkt dat nu eenmaal gewichtiger. Bescherming van oceanen dus. Mooie retoriek. Alleen rijst dan onmiddellijk de vervelende vraag: wat doet Curaçao daar eigenlijk concreet aan? Wij lozen nog steeds afval en afvalwater in zee alsof de oceaan een gigantisch open riool is.

Plastic en vuil spoelen vrolijk onze baaien binnen. Koraalriffen verdwijnen in hoog tempo omdat “ontwikkeling” blijkbaar betekent dat iedere strook kust uiteindelijk moet veranderen in beton, ligbedden en happy hours voor toeristen die na een week zon weer vertrekken. En dat alles natuurlijk “in het algemeen belang”. Dat magische begrip waarmee je op Curaçao ongeveer alles kunt rechtvaardigen zolang er maar een projectontwikkelaar glimlachend naast staat.

Toekomstige generaties

Volgens de beroemde Brundtland-definitie betekent duurzame ontwikkeling dat we voorzien in de behoeften van vandaag zonder het vermogen van toekomstige generaties aan te tasten om in hun eigen behoeften te voorzien. Een prachtige definitie waarmee je ook het algemeen belang kunt definiëren.

Bij ons lijkt duurzame ontwikkeling echter te betekenen: zoveel mogelijk bouwen voordat iemand protesteert, en daarna drogredenen verzinnen om uit te leggen waarom protesteren onredelijk is.

Economisch gezien gaat het immers uitstekend, althans, dat horen wij voortdurend. Het toerisme groeit, de hotels schieten als paddenstoelen uit de grond, appartementencomplexen verrijzen overal, restaurants en beachclubs draaien overuren en de statistieken tonen een “zeer positieve economische ontwikkeling”.

Alleen merkt een aanzienlijk deel van de bevolking daar verbazingwekkend weinig van. De winsten verdwijnen grotendeels naar buitenlandse investeerders, terwijl veel lokale gezinnen worstelen met stijgende kosten van levensonderhoud, slechte woningen en een onderwijssysteem dat al jaren in crisis verkeert.

Maar geen nood: ergens verschijnt vast binnenkort weer een conferentie over “inclusive growth” waar men onder het genot van koffie en airconditioning ernstig zal bespreken hoe zorgelijk de situatie is.

Groeiende ergernis

De groeiende ergernis onder de bevolking wordt inmiddels steeds zichtbaarder. Mensen beginnen zich namelijk af te vragen waarom “ontwikkeling” vrijwel altijd betekent dat hún belangen moeten wijken. Zo loopt er een petitie om stranden weer toegankelijk te maken voor de bevolking; een opmerkelijk verschijnsel op een eiland dat ooit trots was op zijn openbare kustlijn.

Andere burgers proberen via petities de zoveelste ontwikkeling bij Caracasbaai tegen te houden, mede omdat verkeer, geluidsoverlast en aantasting van natuurgebieden inmiddels een structureel onderdeel van het dagelijks leven zijn geworden.

Buurtbewoners stappen naar de rechter tegen bouwprojecten in Zakito en Marie Pompoen. Bij Lagun bezetten demonstranten zelfs letterlijk het strand om te voorkomen dat opnieuw een stukje natuur verandert in een soort mini-Mambo Beach met beton, muziekboxen en cocktails van twaalf dollar. Bij Caracasbaai heeft de buurt via crowdfunding voldoende geld opgehaald om via rechtszaken tegen de overheid het PODS-resort tegen te houden.

Conferenties

Maar ondertussen praten wij internationaal vrolijk verder over duurzaamheid. Want praten kunnen wij uitstekend. Misschien is dát wel onze meest duurzame sector: conferenties, beleidsnota’s en toespraken. Daar raken we nooit doorheen.

Neem de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties. Goal 13: Climate Action. Goal 14: Life Below Water. Curaçao heeft zich daar officieel aan gecommitteerd, met deadline 2030. Dat klinkt ambitieus en modern. Alleen blijft de ongemakkelijke vraag: wat hebben wij concreet gedaan behalve handtekeningen zetten en mooie speeches houden?

Greenpeace bracht onlangs naar buiten dat Bonaire tussen de 1,2 en 1,8 miljard dollar nodig heeft aan adaptatiemaatregelen om de gevolgen van klimaatverandering enigszins op te vangen. Voor Curaçao zal het prijskaartje vermoedelijk niet lager liggen. Wat doen we?

Maar gelukkig hebben we wel visies. En strategische plannen. En werkgroepen. En consultants. Heel veel werkgroepen en consultants.

De ironie wordt nog groter wanneer we lezen dat Curaçao zichzelf internationaal graag profileert als duurzaam en milieubewust, terwijl fundamentele natuur- en milieubescherming lokaal nog steeds grotendeels ontbreekt. Zo kondigde de overheid onlangs aan een walvisreservaat ten noorden van het eiland in te willen stellen.

Een prachtig idee, zonder enige twijfel. Het zal ongetwijfeld goed zijn voor passerende walvissen en bovendien uitstekend ogen in internationale persberichten.

Ongemakkelijk

Alleen blijft één detail wat ongemakkelijk: onze bestaande natuurparken hebben nog steeds geen volwaardige wettelijke status. Christoffelpark. Shete Boka. Seru Largu. Iedereen doet alsof het nationale parken zijn, behalve de wet zelf. Juridisch blijven ze zweven in een soort bureaucratisch niemandsland waar bescherming vooral afhankelijk is van politieke goodwill en toevallige aandacht.

En dan de flora en fauna. Geen enkele plantensoort geniet serieuze wettelijke bescherming. Zelfs mangroven, wereldwijd erkend als cruciale ecosystemen tegen erosie en klimaatverandering, zijn hier nog steeds vogelvrij. Wat dieren betreft is het al helemaal surrealistisch.

We werken met een beschermingslijst uit 1926 waarop soorten voorkomen die hier niet eens leven. Dat is alsof men verkeersregels opstelt voor rendieren en ijsberen. We zijn niet eens partij bij het klimaatverdrag.

Maar internationaal praten wij ondertussen mee over duurzaamheid en oceaanbescherming. Terwijl de dagelijkse realiteit thuis bestaat uit vervuilde baaien, versnipperde natuur, groeiende sociale frustratie en een overheid die duurzaamheid vooral lijkt te beschouwen als een uitstekend onderwerp voor buitenlandse speeches.

Want echte duurzaamheid vraagt om keuzes en acties. Om grenzen stellen aan projectontwikkelaars. Om investeren in natuurbeheer. Om wetgeving die daadwerkelijk wordt gehandhaafd. Om lange termijn boven korte termijn winst te plaatsen.

En precies dáár wordt het ineens een stuk stiller.


114 keer gelezen

Deel dit artikel: