Curaçaose docent: mijn leerlingen stellen betere vragen over democratie dan onze politici

· - leestijd 5 minuten
Afbeelding

WILLEMSTAD – Hoe sterk is de democratische rechtsstaat als het parlement de regering onvoldoende controleert, journalisten moeilijker toegang krijgen tot bestuurders en politieke loyaliteit zwaarder gaat wegen dan onafhankelijke controle? Docent Eugène Maduro vertrekt in deze opiniebijdrage vanuit de vragen van zijn leerlingen over de trias politica en houdt daarmee ook de Curaçaose politiek, media en samenleving een spiegel voor.


Door | Eugène Maduro
Docent en ondernemer

Trias politica is geen hoofdstuk uit een geschiedenisboek. Het is een dagelijkse opdracht aan iedere democratische samenleving. Ik geef mijn leerlingen les over trias politica. Ik leg hun uit waarom een democratische samenleving niet kan functioneren wanneer te veel macht bij één persoon, één regering of één politieke meerderheid terechtkomt. De wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht hebben ieder hun eigen rol. Het parlement moet de regering controleren. De regering moet verantwoording afleggen. De rechterlijke macht moet onafhankelijk kunnen functioneren.

Dat klinkt eenvoudig. Maar dan gebeurt er iets interessants. Wanneer ik trias politica in het Papiamentu uitleg, beginnen leerlingen vragen te stellen die veel verder gaan dan de definitie in hun geschiedenisboek. En juist die vragen maken mij als docent bezorgd.

"Maar wie controleert de minister?" Een leerling kan bijvoorbeeld vragen: "E minister a bai Parlamento promé ku el a tuma e desishon ei?" Is de minister eerst naar het parlement gegaan voordat die beslissing werd genomen? Een andere leerling vraagt: "Si Parlamento tin e tarea pa kontrolá gobièrnu, ken ta kontrolá e ministernan?"En soms komt de meest fundamentele vraag: "Ken ta manda riba ken?"

Geen theoretische vragen

Dat zijn geen theoretische vragen. Dat zijn vragen over macht. En precies daar begint democratisch burgerschap. Het verbaast mij soms hoe snel leerlingen de essentie begrijpen wanneer zij niet alleen de Nederlandse definitie uit het hoofd leren, maar het concept werkelijk begrijpen.

Misschien is dat ook een van de belangrijkste redenen waarom onderwijs in de eigen taal zo belangrijk is. Een leerling kan een Nederlandse tekst lezen en toch moeite hebben om de diepere betekenis van een politiek concept te doorgronden. Wanneer hetzelfde concept in het Papiamentu wordt uitgelegd, ontstaat soms plotseling inzicht. Het kwartje valt.

En wanneer het kwartje valt, beginnen ze kritisch te denken. Het parlement is geen stempelmachine Daar ligt een belangrijke verantwoordelijkheid bij onze Staten. Een parlement is niet bedoeld om simpelweg het beleid van een regering goed te keuren omdat een meerderheid toevallig tot dezelfde politieke coalitie behoort.

Stempelmachine

De Raad van Advies heeft dit zelf scherp geformuleerd: parlementariërs moeten objectief en vanuit het algemeen belang toezicht houden op het bestuur, óók wanneer het bestuurders uit hun eigen partij betreft. Wanneer dat niet gebeurt, dreigt het parlement te veranderen in een "stempelmachine". Dat is een fundamenteel punt.

Een Statenlid is niet in de eerste plaats de vertegenwoordiger van een minister. Een Statenlid is gekozen om het volk te vertegenwoordigen. Daarom zou een Statenlid soms tegen zijn eigen partij moeten kunnen zeggen: "Hier ben ik het niet mee eens." Niet uit persoonlijke vijandigheid. Niet om politieke problemen te veroorzaken. Maar omdat democratie juist vraagt om onafhankelijke controle.

Coalitie betekent niet: onvoorwaardelijke gehoorzaamheid Een van de grootste gevaren voor een parlementaire democratie ontstaat wanneer politieke loyaliteit belangrijker wordt dan constitutionele verantwoordelijkheid. Een coalitie kan noodzakelijk zijn om een regering te vormen. Maar coalitie betekent niet dat Statenleden hun controlerende functie moeten opgeven.

Integendeel. Juist wanneer een minister tot dezelfde politieke partij behoort, zou een Statenlid extra kritisch moeten kunnen zijn. Want wie controleert anders de macht? De Raad van Advies heeft er in zijn jaarverslag expliciet op gewezen dat ook coalitieparlementariërs de plicht hebben hun regering scherp te houden. Dit is geen theoretisch debat. Dit gaat over de kwaliteit van onze democratie.

De vierde macht

En waar blijft de vierde macht? Dan komen wij bij de media. Formeel is de journalistiek geen vierde staatsmacht. Maar in een moderne democratie vervult een onafhankelijke pers wel een belangrijke waakhondfunctie. Een minister kan een persbericht verspreiden. Een journalist moet vervolgens kunnen vragen: Waarom? Waar is het bewijs? Wie heeft dit besluit genomen? Welke alternatieven waren er? Wat kost het? Wie profiteert ervan? Wie betaalt de rekening? Is het parlement geïnformeerd? Is er juridisch advies gevraagd? Wat zegt de rechter?

En vooral: Wat betekent dit voor de burger? Een persbericht is geen journalistiek. Een interview waarin alleen de boodschap van een minister wordt herhaald, is geen kritische controle. Journalistiek begint waar de vragen beginnen. Juist daarom moeten wij ons zorgen maken wanneer de relatie tussen overheid en journalistiek verzwakt.

Recente berichtgeving op Curaçao wijst op zorgen over de financiële kwetsbaarheid van de media, de toegang van journalisten tot bestuurders en een afname van regeringspersconferenties. Dat betekent niet dat de Curaçaose journalistiek niet kritisch is. Er zijn uitstekende journalisten en media die wel degelijk vragen stellen en macht onderzoeken.

Maar een kleine samenleving heeft extra behoefte aan sterke, onafhankelijke journalistiek. Want op een klein eiland kennen mensen elkaar. Politiek, bedrijfsleven, overheid en maatschappelijke organisaties zijn vaak nauw met elkaar verbonden. Juist daarom zijn onafhankelijke instituties zo belangrijk.

Rechtelijke macht

En dan is er de rechter. Ook de rechterlijke macht heeft een essentiële plaats in dit geheel. Wanneer burgers of instituties vinden dat de overheid buiten haar bevoegdheden treedt, moet er een onafhankelijke mogelijkheid bestaan om dat juridisch te laten toetsen. De rechtsstaat betekent immers niet dat alleen burgers zich aan de wet moeten houden. Ook de overheid is aan de wet gebonden. Dat is misschien wel een van de belangrijkste lessen die wij onze jongeren kunnen meegeven.

Macht betekent niet dat je boven de regels staat. Een minister staat niet boven de wet. Een Statenlid staat niet boven de wet. Een politieke partij staat niet boven de wet. En een meerderheid staat niet automatisch boven de rechtsstaat. Wat leren wij onze kinderen?

Paradox

Hier zit voor mij de paradox. Ik sta voor een klas en vertel leerlingen: "Dit is trias politica. De regering heeft macht. Het parlement controleert de regering. De rechterlijke macht moet onafhankelijk zijn." En vervolgens kijken diezelfde leerlingen naar de samenleving. Dan zien zij politieke besluiten. Zij horen discussies. Zij zien ministers en Statenleden. Zij lezen berichten in de media.

En dan vragen zij: "Maar meneer, waarom gebeurt het dan zo?" Wat moet een docent daarop antwoorden? Moeten wij zeggen: "Dat is politiek. Je moet je daar niet te veel vragen over stellen." Nee. Dat zou precies het tegenovergestelde zijn van wat democratisch onderwijs hoort te doen. Wij moeten zeggen: "Blijf vragen stellen." Want een samenleving waarin jongeren geen vragen meer stellen over macht, is een samenleving die kwetsbaar wordt.

De echte toets van onze democratie

Misschien moeten wij daarom stoppen met trias politica uitsluitend als een staatsrechtelijk begrip te behandelen. Wij moeten het behandelen als een democratische cultuur. De vraag is niet alleen: Bestaat er op papier een parlement? De vraag is: Controleert het parlement daadwerkelijk de regering? De vraag is niet alleen: Bestaat er een rechterlijke macht? De vraag is: Kan zij onafhankelijk haar werk doen? De vraag is niet alleen: Hebben wij media? De vraag is: Kunnen journalisten de macht kritisch onderzoeken zonder politieke of economische druk? En de vraag is niet alleen :Hebben wij verkiezingen? De vraag is: Zijn burgers voldoende geïnformeerd en mondig om macht ter verantwoording te roepen?

Dat zijn veel belangrijkere vragen. Welke Curaçao laten wij achter? Uiteindelijk gaat mijn zorg niet alleen over de huidige regering. Ook niet over één minister. Niet over één politieke partij. En zelfs niet alleen over de huidige Staten. Het gaat over iets veel groters.

Welke democratische cultuur willen wij achterlaten voor onze kinderen? Willen wij een Curaçao waarin jongeren leren dat macht gecontroleerd moet worden, maar vervolgens zien dat politieke loyaliteit belangrijker is dan onafhankelijke controle? Of willen wij een Curaçao waarin onze kinderen hun kennis van trias politica daadwerkelijk kunnen gebruiken om kritisch naar hun samenleving te kijken? Ik weet wat ik als docent wil. Ik wil leerlingen die vragen durven stellen.

Leerlingen die niet onder de indruk raken van een titel, functie of politieke macht. Leerlingen die begrijpen dat een minister geen koning is. Dat een Statenlid geen volgeling hoeft te zijn. Dat een journalist geen spreekbuis van de regering behoort te worden. En dat de burger uiteindelijk niet de onderdaan van de overheid is, maar de drager van de democratische rechtsstaat.

Misschien moeten wij daarom niet alleen onze leerlingen vragen: "Wat is trias politica?" Wij moeten hen ook vragen: "Zie jij trias politica terug in de samenleving waarin je leeft?" Want het antwoord op die vraag vertelt ons misschien meer over de staat van onze democratie dan welk geschiedenisboek dan ook. En misschien moeten wij als volwassenen vervolgens naar hun antwoord luisteren.


95 keer gelezen

Deel dit artikel: