
WILLMSTAD - De Curaçaose overheid overweegt om Kunuku Hatum, beter bekend als Campo Alegre, opnieuw als prostitutiecentrum te laten exploiteren door een private partij. Daarmee keert niet alleen een omstreden instituut mogelijk terug, maar ook een vraag die sinds de sluiting in 2020 is blijven liggen: hoe wil Curaçao prostitutie reguleren, en wie beschermt de mensen die in die sector werken?
door Edwin ‘Makambi’ Flameling
In de krant stond recentelijk dat de overheid drie mogelijke bestemmingen voor ogen heeft voor Kunuku Hatum, beter bekend als Campo. Een van die mogelijkheden is om het terrein door derden te laten exploiteren als prostitutiecentrum. Anders gezegd: een heropening van Campo.
Dat roept meteen de vraag op of daarmee niet wordt teruggegrepen naar een voorziening die jarenlang een bijzondere plaats heeft ingenomen in de Curaçaose samenleving. Campo hoort bij Curaçao en was, zeker in zijn hoogtijdagen, ook buiten het eiland bekend als een prostitutiecentrum. In dat opzicht stond Campo niet op zichzelf. Denk bijvoorbeeld aan de Wallen in Amsterdam, de rosse buurt van San Nicolas op Aruba, Pigalle in Parijs, de Reeperbahn in Hamburg en de bekende prostitutiegebieden in Thailand.
Prostitutie, vroeger ook wel hoererij genoemd, is bepaald geen verschijnsel van de moderne tijd. Het woord is afgeleid van het Latijnse prostituere, dat onder meer tentoonstellen of ter beschikking stellen betekent. Over prostitutie is door de eeuwen heen ontzettend veel gezegd en geschreven. In de meest eenvoudige betekenis gaat het om het aanbieden van seksuele diensten tegen een materiële vergoeding, doorgaans geld.
Daarmee is echter nog lang niet het hele verhaal verteld. Prostitutie kent vele vormen en wordt beïnvloed door economische, sociale, culturele en persoonlijke omstandigheden. Het kan gaan om vrijwillige dienstverlening, maar ook om uitbuiting, dwang en mensenhandel. Juist dat onderscheid is van groot belang wanneer een overheid zich met prostitutie bemoeit.
Prostitutie behoort tot de oudste beschreven vormen van seksuele dienstverlening. Historische bronnen laten zien dat vormen van prostitutie al in de oudheid voorkwamen, onder meer in het oude Egypte en Mesopotamië. Ook in religieuze en historische teksten komt prostitutie regelmatig voor. Rond Maria Magdalena bijvoorbeeld zijn in de loop der eeuwen allerlei verhalen ontstaan, maar voor de bewering dat zij prostituee was of met Christus getrouwd zou zijn, bestaat geen betrouwbare historische grond.
Ook de verschijningsvormen van prostitutie zijn door de eeuwen heen sterk uiteen gaan lopen. Van straatprostitutie onder vaak moeilijke omstandigheden tot prostitutie in bordelen, escortdiensten en het meer exclusieve segment waarin niet alleen seksuele dienstverlening, maar ook gezelschap en sociale omgang een rol spelen.
Dat laatste is overigens niet zo vreemd. Wie prostitutie uitsluitend als een seksuele transactie beschouwt, mist een deel van het verschijnsel. Voor sommige klanten gaat het om seks, voor anderen om gezelschap, aandacht, intimiteit of simpelweg een avond uit. Dat maakt prostitutie niet per definitie wenselijk of onwenselijk; het maakt het vooral tot een maatschappelijk verschijnsel dat zich niet eenvoudig laat wegpoetsen.
En precies daar begint het probleem voor de overheid.
Door de geschiedenis heen zijn er altijd krachten geweest die prostitutie wilden verbieden of uitbannen. Religieuze opvattingen speelden daarbij vaak een belangrijke rol: seks zou binnen het huwelijk thuishoren en in veel tradities vooral gericht moeten zijn op voortplanting. Maar er waren en zijn ook andere argumenten. Seksueel overdraagbare aandoeningen kunnen zich via seksuele contacten verspreiden. Daarnaast bestaan er ernstige misstanden zoals mensenhandel, gedwongen prostitutie, seksuele uitbuiting en prostitutie van minderjarigen.
Daar staat een andere werkelijkheid tegenover. Wanneer prostitutie volledig wordt verboden, verdwijnt de behoefte eraan niet automatisch. De prostitutie verdwijnt dan vaak vooral uit het zicht. Zij gaat ondergronds, waardoor juist het toezicht moeilijker wordt. Een overheid die niets wil zien, kan uiteindelijk minder zien dan een overheid die probeert te reguleren wat zich toch voordoet.
Nederland heeft daar zijn eigen geschiedenis mee. Met de zedenwetgeving van 1911 werd niet simpelweg iedere vorm van prostitutie strafbaar gesteld; vooral het exploiteren en bevorderen van ontucht werd aangepakt. In 2000 werd vervolgens het algemene bordeelverbod opgeheven. Prostitutie werd daarmee een legale bedrijfstak, zij het een bedrijfstak waarvoor gemeenten en andere overheden uitgebreide regels kunnen stellen.
Het idee achter regulering is betrekkelijk eenvoudig: wanneer prostitutie zich niet volledig in de illegaliteit afspeelt, beschikt de overheid over meer mogelijkheden om toezicht te houden op exploitanten, arbeidsomstandigheden, veiligheid en mensenhandel. Tegelijkertijd blijkt ook in Nederland dat legalisering en regulering geen wondermiddelen zijn. Een deel van de prostitutie blijft buiten het gereguleerde circuit plaatsvinden, mede doordat internet en digitale communicatie het eenvoudig maken om buiten traditionele locaties om klanten te vinden. Daarmee blijft handhaving een ingewikkelde opgave.
Ook Curaçao heeft die geschiedenis gekend.
De aanwezigheid van Nederlandse, Britse en Amerikaanse militairen tijdens de wereldoorlog zorgde voor een aanzienlijke vraag naar prostitutie. In Willemstad en omgeving ontstonden illegale bordelen en werden seksuele diensten aangeboden. Lokale vrouwen en meisjes werden benaderd en soms onder druk gezet door de financiële omstandigheden. Tegelijkertijd waren seksueel overdraagbare aandoeningen een serieus probleem.
Verbieden bleek echter iets anders dan verdwijnen.
De overheid koos uiteindelijk voor een andere benadering. Buiten de stad, in de omgeving van het vliegveld, werd een prostitutiecomplex gevestigd: Campo Alegre, ook bekend als Le Mirage. Daar werd prostitutie binnen een afgebakende omgeving toegestaan. De prostituees waren voornamelijk buitenlandse vrouwen, onder meer afkomstig uit Venezuela, Colombia en de Dominicaanse Republiek. Zij verbleven op basis van tijdelijke verblijfsregelingen en waren gebonden aan specifieke voorwaarden en de interne regels van Campo. Daaronder vielen ook medische controles.
Daarmee werd iets gecreëerd wat tegenwoordig misschien ouderwets klinkt, maar vanuit bestuurlijk oogpunt wel degelijk een functie had: de overheid wist waar de prostitutie plaatsvond en onder welke omstandigheden.
Totdat in 2020 de coronapandemie uitbrak.
Campo moest sluiten en ging uiteindelijk failliet. De overheid kocht de grond en opstallen voor naar verluidt ongeveer acht miljoen gulden. Vervolgens gebeurde er lange tijd weinig.
Maar prostitutie hield zich uiteraard niet aan het faillissement van Campo.
De prostitutie verdween niet van Curaçao. Zij verspreidde zich juist verder over het eiland. Achter sommige snacks kwamen kamertjes, hotels en appartementen werden gebruikt en op verschillende plaatsen ontstonden kleinere, minder zichtbare prostitutiegelegenheden. Soms was er voor de buitenwereld weinig meer waar te nemen dan een opmerkelijke aanloop op de late avond en in de nacht. Namen als Cubaweg en Fleur de Marie zijn in de volksmond bekend, maar een belangrijk deel van deze activiteiten speelt zich af in de informele of illegale sfeer. Daardoor beschikt de overheid maar beperkt over betrouwbare gegevens over de omvang ervan. Dat maakt toezicht en handhaving er niet eenvoudiger op.
En inmiddels zijn we zes jaar verder.
Daarmee komt een veel bredere vraag op tafel dan alleen de vraag of Campo als prostitutiecentrum moet worden heropend. Het gaat ook om de vraag hoe de overheid wil omgaan met een verschijnsel dat niet door sluiting van één locatie verdwijnt.
Bij prostitutie spelen immers uiteenlopende publieke belangen een rol: de bestrijding van mensenhandel en seksuele uitbuiting, bescherming van minderjarigen, het voorkomen van gedwongen prostitutie, arbeidsrechtelijke bescherming en arbeidsomstandigheden, volksgezondheid, openbare orde en veiligheid, het tegengaan van criminaliteit rond prostitutie, toezicht op verblijf en arbeid van buitenlandse prostituees, belastingheffing, het voorkomen van overlast voor omwonenden en het toezicht op exploitanten en tussenpersonen.
Dat is een hele waslijst. Maar juist daarom is het merkwaardig om te doen alsof prostitutie vanzelf verdwijnt wanneer een prostitutiecentrum wordt gesloten.
De kernvraag is dan ook niet alleen: willen wij Campo terug? De belangrijkere vraag is: wat wil de overheid met prostitutie op Curaçao?
Die vraag is jarenlang blijven liggen.
Waarom de overheid Campo niet zelf opnieuw exploiteert, lijkt een logische vraag. Een overheid die zelf prostitutie faciliteert en exploiteert, begeeft zich op een terrein waarop haar eigen rol en verantwoordelijkheid zorgvuldig moeten worden onderscheiden. Een private exploitant kan binnen een wettelijk kader een bedrijf exploiteren; de overheid kan vervolgens vergunningen verlenen, voorwaarden stellen, toezicht houden en handhaven.
Maar daarmee ontstaat wel een interessante paradox. De overheid kan de prostitutie niet zelf organiseren, terwijl zij tegelijkertijd wel verantwoordelijk is voor de bescherming van de openbare orde, volksgezondheid en de rechten van degenen die in die sector werkzaam zijn.
Over legalisering en een prostitutiebeleid op Curaçao is in het verleden gesproken. Maar spreken over beleid is iets anders dan beleid voeren. Zolang er geen duidelijk en integraal kader ligt, blijft de praktijk zich ondertussen ontwikkelen. En de praktijk trekt zich weinig aan van bestuurlijke voornemens.
Een heropening van Campo zou daarom niet moeten worden gezien als simpelweg het opnieuw openen van een hek en het ophangen van een bord met de naam Campo Alegre. Als de overheid die mogelijkheid serieus onderzoekt, zou zij tegelijk moeten bepalen onder welke voorwaarden prostitutie op Curaçao mag plaatsvinden, wie toezicht houdt, welke regels gelden voor exploitanten en prostituees, hoe mensenhandel en uitbuiting worden bestreden, hoe de verblijfs- en arbeidsrechtelijke positie van buitenlandse prostituees wordt geregeld en hoe de belangen van omwonenden worden beschermd.
Daarmee zou ook een oude functie van Campo opnieuw kunnen worden bekeken.
Want Campo was nooit uitsluitend een verzameling kamers waar seksuele diensten werden aangeboden. Het was ook een sociale omgeving. Er was een bar, een restaurant, een casino, een biljartgelegenheid en andere voorzieningen. Het was voor veel mannen een ontmoetingsplaats. Op enig moment waren er zelfs ladies nights.
Voor een deel van de Curaçaose bevolking was Campo daardoor meer dan alleen prostitutie. Het was ook een sociaal trefpunt. Voor veel mannen vormde het een plek waar zij vrienden ontmoetten, een biertje dronken, praatten, flirtten en — laten we daar ook maar eerlijk over zijn — soms een vrouw bezochten. En ja, voor sommige jonge mannen was Campo ook een plaats waar zij hun eerste seksuele ervaringen opdeden. Dat is misschien niet de pedagogische route die iedere ouder tegenwoordig voor zijn zoon zou uittekenen, maar het is wel onderdeel van de sociale geschiedenis van Curaçao.
Ook daarin zit een interessante paradox. De samenleving kan ongemakkelijk doen over prostitutie, terwijl generaties mannen er wel degelijk gebruik van hebben gemaakt. Campo was jarenlang een zichtbaar onderdeel van die werkelijkheid. Door Campo te sluiten, werd die werkelijkheid niet uitgewist. Zij werd vooral minder zichtbaar.
Daarom is de discussie over de toekomst van Kunuku Hatum uiteindelijk groter dan de vraag wat er met een stuk grond en een aantal gebouwen moet gebeuren.
Het gaat om de vraag of Curaçao prostitutie wil verbieden, gedogen, reguleren of onder duidelijke voorwaarden toestaan. Het gaat om de vraag of de overheid haar ogen sluit voor wat zich buiten beeld afspeelt, of juist een juridisch en bestuurlijk kader creëert waarbinnen toezicht en bescherming daadwerkelijk mogelijk zijn.
Wie vindt dat prostitutie niet thuishoort op Curaçao, zal daartegen uiteraard principiële bezwaren kunnen hebben. Maar wie vaststelt dat prostitutie ondanks die bezwaren bestaat, zal zich moeten afvragen welke aanpak het beste zicht geeft op de werkelijkheid en de grootste bescherming biedt tegen uitbuiting, mensenhandel, dwang en overlast.
De sluiting van Campo heeft in ieder geval één ding duidelijk gemaakt: de prostitutie is niet met Campo verdwenen. Misschien is het daarom tijd om niet langer te doen alsof het probleem kan worden opgelost door het terrein gesloten te houden.
Als Campo opnieuw een bestemming als prostitutiecentrum zou krijgen, zou dat dan wel moeten gebeuren binnen een modern, transparant en controleerbaar prostitutiebeleid. Niet alleen voor de klant. Niet alleen voor de exploitant. En zeker niet alleen voor de overheid. Maar vooral voor alle mensen die in deze sector werken.
En misschien ook voor een stukje Curaçaose geschiedenis dat, hoe ongemakkelijk het onderwerp ook is, nu eenmaal niet kan worden uitgewist.





































