Dia di Pais Kòrsou: pabien!?

· - leestijd 4 minuten
Afbeelding

WILLEMSTAD – Zestien jaar na het verkrijgen van de autonome status binnen het Koninkrijk der Nederlanden is er volgens publicist Flameling weinig reden voor feestvreugde. In een kritische beschouwing naar aanleiding van Dia di Pais Kòrsou op 10 oktober maakt hij de balans op van zestien jaar zelfbestuur. Armoede, een groeiende schuldenlast, verkeersproblemen en gebrek aan toekomstperspectief voor de eigen bevolking domineren volgens hem het beeld. Flameling verwijt de politiek een gebrek aan verantwoordelijkheid, maar houdt ook de bevolking een spiegel voor. Nationale trots mag volgens hem geen excuus zijn om de problemen van Curaçao te verdoezelen. Hieronder zijn bijdrage.


door | Edwin ’Makambi’ Flameling

Gefeliciteerd, bevolking van Curaçao! Zaterdag vierden we zestien jaar autonomie. Zestien jaar waarin we zelf mochten beslissen over de inrichting van ons eigen huishouden. Maar is dat werkelijk een felicitatie waard? Of is het inmiddels eerder tijd voor een condoleance?

Laten we de balans eens opmaken. Wat hebben we in die zestien jaar eigenlijk bereikt? We hebben een land met een enorme schuldenlast, die we met het grootste gemak doorschuiven naar volgende generaties. Terwijl we begonnen met een nagenoeg schone lei. Meer dan dertig procent van onze bevolking kan nauwelijks in het eigen levensonderhoud voorzien en leeft in armoede. De overheid erkent het probleem, praat er al jarenlang over, organiseert ongetwijfeld de nodige vergaderingen, maar slaagt er nauwelijks in om de situatie wezenlijk te verbeteren. Blijkbaar is armoede op Curaçao inmiddels niet alleen een maatschappelijk probleem, maar ook een dossier dat eindeloos kan worden doorgeschoven.

En dan ons verkeer. We staan steeds vaker en langer in de file op een eiland waar de afstanden nauwelijks de moeite waard zijn om van reistijd te spreken. Ons gebrekkige wegennet kan de enorme hoeveelheid auto’s niet meer aan. Toch blijven die auto’s toestromen. Onze overliquide banken verstrekken zonder al te veel problemen autoleningen met looptijden tot zeven jaar, soms zelfs voor tweedehandsauto’s. Of de kredietnemer die auto zeven jaar later nog bezit, is maar de vraag. Vaak wordt al na enkele jaren naar een nieuwer model gekeken, terwijl andere voertuigen voortijdig op de schroothoop belanden. Het aantal verkeersongevallen draagt daar bepaald niet aan bij.

Intussen wordt het steeds moeilijker voor onze eigen Yu di Kòrsou om hier een behoorlijke toekomst op te bouwen. De autonomie lijkt in toenemende mate te steunen op mensen van buiten het eiland, met of zonder geldige verblijfsstatus. Mensen die hier komen werken, ondernemen en bijdragen aan onze economie. Dat is op zichzelf geen verwijt aan hen, maar wel een pijnlijke constatering over ons eigen functioneren. Waarom lukt het ons niet om onze eigen bevolking voldoende perspectief te bieden?

Slecht functionerende organisaties, zowel binnen de overheid als in de private sector, weinig concurrerende salarissen, schrikbarend hoge kosten van levensonderhoud en woningen die voor velen onbetaalbaar zijn: kopen is voor grote groepen een droom, huren steeds vaker een financiële uitputtingsslag. Vrijwel alles moet worden geïmporteerd, waardoor alles peperduur is en we kwetsbaar blijven voor prijsstijgingen van buitenaf. En ondertussen blijven we onszelf graag vertellen hoe zelfstandig we zijn. Nos mes por!

Maar autonomie is toch meer dan een vlag, een volkslied en een jaarlijkse feestdag! Autonomie betekent verantwoordelijkheid nemen. Het betekent een samenleving opbouwen waarin mensen fatsoenlijk kunnen leven, waarin kinderen kansen krijgen door goed onderwijs voor iedereen, waarin werken loont en waarin de overheid niet alleen problemen registreert, maar ze ook daadwerkelijk aanpakt. Zelfbestuur is geen vrijbrief om zestien jaar lang aan te modderen en vervolgens de rekening bij onze kinderen neer te leggen.

Het doet me denken aan een kind dat achttien jaar wordt, koppig verklaart volwassen te zijn en het ouderlijk huis verlaat om voortaan alles zelf te regelen. Binnen de kortste keren staat het weer voor de deur met het verzoek om een lening, omdat de financiële werkelijkheid toch wat weerbarstiger blijkt dan gedacht. Goede raad wordt echter resoluut afgewezen. Niemand hoeft hem immers te vertellen hoe hij moet leven! Intussen verwaarloost hij zijn eigen gezin, laat hij zijn kinderen de prijs betalen en verschuilt hij zich achter zijn pas verworven vrijheid. Dat is geen volwassenheid. Dat is onverantwoordelijkheid, verpakt als onafhankelijkheid.

En precies daar wringt de schoen bij onze autonomie. We hebben de bevoegdheid gekregen om onze eigen koers te bepalen, maar hebben we ook geleerd om de verantwoordelijkheid te dragen die daarbij hoort? Of verwarren we vrijheid met de mogelijkheid om lastige beslissingen uit te stellen, structurele problemen te negeren en de gevolgen op anderen af te wentelen?

De politici die ons de afgelopen zestien jaar hebben bestuurd, kunnen zich niet blijven verschuilen achter mooie woorden, nieuwe beleidsnota’s en plechtige beloften. Wie jarenlang aan het roer staat, kan zich niet eeuwig beroepen op tegenwind. Op een gegeven moment moet de vraag worden gesteld of de kapitein eigenlijk wel weet waar hij naartoe vaart.

En wij, de bevolking? We mopperen. We klagen bij de koffie, op sociale media en aan de keukentafel. We uiten onze verontwaardiging, om vervolgens vaak weer over te gaan tot de orde van de dag. Alsof klagen op zichzelf al een vorm van burgerplicht is. Maar een democratie die haar ongenoegen niet weet om te zetten in politieke consequenties, geeft haar bestuurders wel erg veel ruimte om op dezelfde voet door te gaan. Dat betekent niet dat we de straat op moeten om de boel af te breken. Wel dat we moeten ophouden alles normaal te vinden wat dat allerminst is.

Dat we politici niet alleen op hun beloften, maar vooral op hun resultaten moeten beoordelen. Dat we bij verkiezingen niet telkens opnieuw ons vertrouwen moeten schenken aan mensen die hun kansen al ruimschoots hebben gehad, zonder ons af te vragen wat zij daadwerkelijk hebben gepresteerd. De geschiedenis leert ons dat onvrede niet eindeloos kan worden genegeerd. Er komt een moment waarop de grens wordt overschreden, waarop het vertrouwen omslaat in woede en waarop mensen niet langer bereid zijn de bestaande situatie te accepteren. Wie dat moment niet ziet aankomen, heeft kennelijk weinig van de geschiedenis geleerd.

Zestien jaar autonomie had een reden moeten zijn om trots terug te kijken én met vertrouwen vooruit te blikken. In plaats daarvan moeten we ons afvragen hoeveel kansen we hebben laten liggen, hoeveel problemen we voor ons uit hebben geschoven en hoeveel toekomstige generaties we met de rekening opzadelen. Natuurlijk is niet alles mislukt. Maar wie zich op successen beroept, moet ook de moed hebben om de mislukkingen onder ogen te zien. Nationale trots mag nooit een excuus worden om de werkelijkheid te verdoezelen.


110 keer gelezen

Deel dit artikel: