
WILLEMSTAD - Zestien jaar na 10-10-10 vraagt docent en ondernemer Eugène Maduro zich af wat Curaçao daadwerkelijk met zijn autonomie heeft gedaan. Hij hoopte in 2010 op een nieuw begin, maar ziet vooral onvervulde verwachtingen. Toch eindigt zijn terugblik niet met een verwijt aan de politiek, maar met een vraag aan de samenleving zelf: wat gaan wij voor en met Curaçao doen?
door | Eugène Maduro
Zestien jaar geleden verheugde ik mij op 10 oktober.
Niet op een nieuwe datum,
niet op vlaggen, niet op toespraken,
niet op een ceremonie waarin wij elkaar
vertellen hoe ver wij zijn.
Ik verheugde mij op een nieuw begin.
Op een Curaçao dat begreep
wat autonomie werkelijk betekent.
Een Curaçao dat terugkeek naar 1954
en begreep: dit was geen eindpunt,
maar het begin van een proces.
Een proces naar zelfbestuur,
naar zelfvertrouwen,
naar zelfontplooiing.
Ik droomde van bestuurders
die niet slechts zouden besturen
zoals vóór hen was bestuurd,
maar die zouden durven zeggen:
Wij zijn een nieuw volk.
Wij bouwen aan een nieuwe natie.
Wij bepalen onze eigen richting.
Ik droomde van plannen
die uit onze eigen geest kwamen.
Van onderwijs dat onze kinderen leert
wie zij zijn, waar zij vandaan komen
en waartoe zij in staat zijn.
Van een economie
die niet op één been staat,
maar op vele benen:
toerisme, kennis,
cultuur, technologie,
ondernemerschap,
creativiteit.
Ik droomde van een Curaçao
dat niet alleen naar de wereld kijkt,
maar dat de wereld ook iets te bieden heeft.
Een Curaçao met een sterke stem
in het Caribisch gebied,
met een waardige positie
binnen het Koninkrijk,
niet vanuit afhankelijkheid,
maar vanuit volwassenheid.
Ik droomde van een traject
waarin onze burgers konden meegroeien,
waarin vooruitgang
niet alleen in cijfers bestond,
maar zichtbaar werd
in de ogen van onze kinderen,
in de kansen van onze jongeren,
in de waardigheid van onze ouderen,
in het vertrouwen van ons volk.
Daarom wacht ik.
Ik wacht op dat nieuwe Curaçao.
Want 10-10-10 kwam.
De jaren kwamen.
De regeringen kwamen.
De plannen kwamen.
De beloften kwamen.
Maar ergens tussen autonomie
en verantwoordelijkheid
bleef iets achter.
Onze moed? Onze visie?
Of misschien onze bereidheid
om werkelijk opnieuw te beginnen?
Daarom kon ik ook bij de zestiende verjaardag van 10-10-10 niet werkelijk feestvieren.
Want wat vier ik als ik de toekomst
nog steeds niet kan zien
die ik toen voor mij zag?
Ik denk aan Tula.
Aan een man die niet wachtte
op toestemming om mens te zijn.
En ik hoor de muziek van Doble R.
Alsof zelfs de muziek
ons eraan wil herinneren:
hoe lang moeten wij nog wachten?
Tula wachtte op vrijheid.
Wij wachten op de vervulling
van onze vrijheid.
Misschien is dat onze grootste teleurstelling:
dat wij de deur naar autonomie
hebben geopend, maar nog steeds
aarzelen om naar binnen te stappen.
Toch blijf ik hopen.
Want autonomie is niet wat ons
op 10-10-10 werd gegeven.
Autonomie is wat wij
er zelf van maken.
En misschien begint
het echte 10-10-10 daarom nog.
Niet in een datum.
Niet in een ceremonie.
Maar in onszelf.
In de dag waarop wij niet meer vragen:
“Wat gaat men voor ons doen?”
maar eindelijk zeggen:
“Wat gaan wij zelf doen
voor en met Curaçao?”




































