Onderzoekers willen minder autonomie en meer zeggenschap voor Caribische landen

· - leestijd 3 minuten
Oberon Nauta (l) en Wouter Veenendaal (r)
Oberon Nauta (l) en Wouter Veenendaal (r) Fotocompilatie: Dossier Koninktijksrelaties

WILLEMSTAD – Curaçao, Aruba en Sint-Maarten moeten een deel van hun overheidstaken onderbrengen bij het Koninkrijk, maar tegelijkertijd veel meer zeggenschap krijgen over de besluiten die daar worden genomen. Dat bepleiten hoogleraar Koninkrijksrelaties Wouter Veenendaal en bestuurskundig onderzoeker Oberon Nauta in een opiniebijdrage naar aanleiding van zestien jaar 10-10-10. Volgens hen is de autonomie van de Caribische landen de afgelopen jaren steeds verder uitgehold, terwijl Nederland vooral ingrijpt op terreinen waar het zelf belang bij heeft.


De onderzoekers stellen dat de staatkundige inrichting van het Koninkrijk onvoldoende rekening houdt met de beperkte schaal van de drie Caribische landen. Sinds Curaçao en Sint-Maarten op 10 oktober 2010 autonome landen werden, moeten zij vrijwel alle taken van een moderne staat zelfstandig uitvoeren.

Volgens Veenendaal en Nauta is dat voor landen met een relatief kleine bevolking, beperkte arbeidsmarkt en kwetsbare financiële basis nauwelijks vol te houden.

Zij vergelijken de situatie met een Nederlandse gemeente als Zwolle, die naast haar gemeentelijke verantwoordelijkheden ook een volledig onderwijs- en zorgstelsel, politie, justitie, belastingheffing, grensbewaking en internationale luchthaven zou moeten beheren.

Niemand zou volgens hen verwachten dat een gemeente die taken zonder steun van een groter bestuurlijk verband duurzaam kan uitvoeren.

Nederland grijpt selectief in

De auteurs constateren dat Nederland in de praktijk steeds vaker ingrijpt wanneer de Caribische landen bestuurlijk of financieel in problemen komen.

Zij wijzen daarbij op het financieel toezicht, de Integriteitskamer op Sint-Maarten, de Raad voor de Rechtshandhaving en de Landspakketten. Deze instrumenten zijn bedoeld om tekortkomingen in het bestuur en de overheidsfinanciën aan te pakken, maar beperken volgens hen tegelijkertijd de feitelijke autonomie.

Daarbij zien zij een duidelijke tegenstelling.

Wanneer financiële stabiliteit, bestuurlijke integriteit of Nederlandse belangen op het spel staan, treedt het Koninkrijk volgens hen relatief krachtig op. Bij problemen met onderwijs, gezondheidszorg, armoede, milieuschade en afvalverwerking verwijst Nederland juist vaak naar de eigen verantwoordelijkheid van de landen.

Daardoor ontstaat volgens de onderzoekers een situatie waarin de Caribische regeringen formeel verantwoordelijk blijven voor voorzieningen die zij niet altijd zelfstandig kunnen waarmaken, terwijl Nederland de middelen en deskundigheid heeft om bij te springen.

Autonomie als excuus

Veenendaal en Nauta stellen dat autonomie op deze manier door beide kanten kan worden gebruikt om verantwoordelijkheid te ontlopen.

Caribische regeringen kunnen Nederlandse bemoeienis afwijzen, ook wanneer zij bepaalde problemen niet zelfstandig kunnen oplossen. Nederland kan zich op zijn beurt beroepen op de autonomie van de landen om niet te hoeven ingrijpen.

Volgens de onderzoekers betalen inwoners daarvoor de prijs in de vorm van kwetsbare gezondheidszorg, achterblijvend onderwijs, milieuproblemen en onvoldoende bestaanszekerheid.

De auteurs vinden dat het waarborgen van fundamentele rechten zwaarder moet wegen dan het vasthouden aan een staatkundige taakverdeling die in de praktijk niet goed functioneert.

Zij pleiten daarom voor een heroverweging van welke overheidstaken de Caribische landen zelfstandig kunnen uitvoeren en welke beter op Koninkrijksniveau kunnen worden georganiseerd.

Daarbij benadrukken zij dat zo’n verandering vanwege het zelfbeschikkingsrecht uiteindelijk door de inwoners van de landen zelf moet worden gekozen.

Meer macht voor Caribische landen

Een overdracht van bevoegdheden aan het Koninkrijk is volgens Veenendaal en Nauta alleen aanvaardbaar wanneer de Caribische landen tegelijkertijd meer invloed krijgen op de Koninkrijksregering.

Daar ontbreekt het momenteel aan.

De instellingen van het Koninkrijk vallen grotendeels samen met die van Nederland. In de Rijksministerraad zijn Aruba, Curaçao en Sint-Maarten volgens de auteurs zwak vertegenwoordigd. Ook ontbreekt een volwaardige parlementaire vertegenwoordiging van de Caribische landen op Koninkrijksniveau.

De Nederlandse Staten-Generaal controleren de Koninkrijksregering, terwijl de meeste inwoners van de drie Caribische landen geen stemrecht hebben voor het Nederlandse parlement.

Wanneer meer overheidstaken naar het Koninkrijk worden overgeheveld zonder deze democratische verhoudingen te veranderen, neemt volgens de onderzoekers vooral de Nederlandse macht verder toe.

Zij pleiten daarom voor een sterkere positie van de Caribische landen binnen de Koninkrijksregering, parlementaire vertegenwoordiging en een goede regeling voor geschillen tussen de vier landen.

Geen tweederangsburgerschap

De onderzoekers erkennen dat Nederland door zijn omvang ook in een hervormd Koninkrijk een dominante positie zal behouden.

Maar gelijkwaardigheid betekent volgens hen niet dat alle landen even groot of machtig moeten zijn. Het betekent dat geen enkel land eenzijdig zijn wil aan de andere landen mag opleggen en dat inwoners invloed moeten hebben op besluiten die hun belangen raken.

De centrale boodschap van hun bijdrage is daarmee dat minder autonomie niet noodzakelijk hoeft te betekenen dat de Caribische landen minder invloed krijgen.

Integendeel: door bepaalde overheidstaken gezamenlijk te organiseren en de Caribische landen meer zeggenschap te geven, kan volgens hen een eerlijker Koninkrijk ontstaan.

Zestien jaar na de ontmanteling van de Nederlandse Antillen vinden Veenendaal en Nauta dat het tijd is om de bestaande staatkundige verhoudingen fundamenteel te herzien.

Hun pleidooi is niet gericht op het volledig afschaffen van de autonomie, maar op een andere verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Daarmee willen zij voorkomen dat inwoners van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten binnen hetzelfde Koninkrijk structureel minder toegang hebben tot goede publieke voorzieningen dan inwoners van Nederland.


145 keer gelezen

Deel dit artikel: