Frank Martinus Arion krijgt een plaats tussen de Nederlandse literaire grootheden, maar zijn strijd blijft

AMSTERDAM – De Curaçaose schrijver Frank Martinus Arion ligt sinds vrijdag letterlijk tussen de grote namen van de Nederlandse literatuur. In De Nieuwe Kerk in Amsterdam werd een schrijverssteen voor hem onthuld, ontworpen door de onlangs overleden Curaçaose beeldhouwer Nelson Carrilho. De eerbetuiging komt elf jaar na zijn dood, kort na de verschijning van zijn biografie. Maar achter de erkenning gaat een ongemakkelijke geschiedenis schuil: die van een schrijver die Nederland nodig had om gehoord te worden, terwijl hij datzelfde Nederland een leven lang ter verantwoording riep.
Tussen Joost van den Vondel, Multatuli, P.C. Hooft en Hella S. Haasse heeft nu ook Frank Martinus Arion een vaste plaats gekregen. Zijn naam is opgenomen in de vloer van De Nieuwe Kerk op de Dam in Amsterdam, waar Nederland zijn belangrijkste schrijvers eert met gedenkstenen.
Het is een bijzonder eerbetoon aan de Curaçaose schrijver, die in 2015 overleed. Niet alleen omdat hij met zijn roman Dubbelspel uit 1973 een vaste plaats in de Nederlandse literatuur veroverde, maar vooral omdat zijn verhouding tot Nederland nooit vanzelfsprekend was.
Martinus Arion schreef in het Nederlands, studeerde en doceerde in Amsterdam en vond er zijn uitgevers en lezers. Tegelijkertijd bestreed hij de koloniale denkbeelden die volgens hem de verhouding tussen Nederland en Curaçao bleven bepalen. Hij pleitte voor onafhankelijkheid, verdedigde het Papiamentu en eiste erkenning van de gevolgen van de slavernij.
Die spanning verdwijnt niet nu zijn naam in steen is vastgelegd. Integendeel, ze maakt de erkenning juist betekenisvol.
Eens zullen jullie luisteren
Biograaf Mineke de Vries, die vorige maand haar biografie Uit baldadig hout ben ik gesneden presenteerde, herinnerde tijdens de onthulling aan een uitspraak van Martinus Arion: „Eens zullen jullie mijn woorden op waarde schatten.”
Volgens De Vries voelde de schrijver zich tijdens zijn leven onvoldoende gehoord en serieus genomen. Zijn literaire succes bracht hem erkenning, maar niet noodzakelijk het begrip waarop hij hoopte.
Dat gold al voor Dubbelspel, de roman waarmee hij internationaal doorbrak. Nederlandse lezers ontdekten er het Curaçaose leven in, met zijn dominospelende mannen, sociale tegenstellingen, politieke verhoudingen en onderlinge conflicten.
Maar volgens De Vries werd de roman in Nederland vooral gelezen als een inkijkje in een onbekende Caribische wereld. Martinus Arion wilde iets anders vertellen. Hij had de psychologie van de armoede willen beschrijven en duidelijk willen maken dat arme mensen als volwaardige mensen moesten worden gezien.
Dat onderwerp raakte hem persoonlijk. Uit het archiefonderzoek van De Vries blijkt dat de roman veel sterker autobiografisch was dan zijn lezers wisten. De schaamte over de armoede waarin hij zelf was opgegroeid, speelde een belangrijke rol.
In vroege versies van Dubbelspel vond De Vries langere passages over armoede en de psychologische gevolgen daarvan. Het boek was voor Martinus Arion ook een manier geweest om af te rekenen met zijn eigen jeugd.
Juist daarom werd het succes dubbelzinnig. De roman waarvan hij afstand wilde nemen, bleef het werk waarmee hij voortdurend werd vereenzelvigd.
Zijn andere romans, waarin kolonialisme, racisme, zwart bewustzijn en de verhouding tussen Europa en het Caribisch gebied nadrukkelijker aan de orde kwamen, vond hij zelf belangrijker.
De taal van de kolonisator
Een van de meest opvallende tegenstellingen in zijn leven was zijn verhouding tot taal.
Martinus Arion was een voorvechter van het Papiamentu en richtte op Curaçao een school op waar die taal centraal stond. Hij onderzocht de herkomst van het Papiamentu en beschouwde taal als een wezenlijk onderdeel van culturele zelfstandigheid.
Toch schreef hij zijn belangrijkste romans in het Nederlands.
Volgens De Vries was dat geen toevallige keuze. Het Nederlands was de taal waarin hij op school was gevormd, waarin hij zijn emoties het beste kon uitdrukken en waarin hij als schrijver zijn publiek kon bereiken.
Het was tegelijkertijd de taal van de voormalige kolonisator.
Zelf verklaarde Martinus Arion dat hij Dubbelspel niet in het Papiamentu had willen schrijven omdat hij Nederlandse lezers wilde bereiken. Bovendien meende hij dat de inhoud voor veel lezers op de Antillen al bekend zou zijn.
Zijn keuze voor het Nederlands was daarmee niet alleen literair, maar ook politiek. Hij wilde zich rechtstreeks richten tot de samenleving waarvan hij de historische verantwoordelijkheid ter discussie stelde.
De tegenstelling tussen zijn Nederlandse schrijverschap en zijn strijd voor het Papiamentu laat zien hoe ingewikkeld zijn positie was. Nederland bood hem de mogelijkheden om zijn werk te publiceren en internationaal bekend te worden, terwijl Curaçao het middelpunt van zijn denken en handelen bleef.
Erkenning na de dood
De onthulling komt op een moment waarop het werk van Martinus Arion opnieuw aandacht krijgt.
Vorig jaar werd Dubbelspel opgenomen in de literaire canon, volgens De Vries als het werk van de eerste zwarte auteur op die lijst. Vorige maand verscheen haar omvangrijke biografie, gebaseerd op jarenlang onderzoek in zijn persoonlijke archief.
Daarin komt een schrijver naar voren die veel meer was dan de auteur van één succesvolle roman.
Hij was dichter, taalkundige, docent, politiek activist en een uitgesproken criticus van de koloniale verhoudingen binnen het Koninkrijk. Hij zette zich in voor het slavernijmonument in het Amsterdamse Oosterpark, dat in 2002 werd onthuld.
De Vries herinnerde eraan dat Martinus Arion met dat monument vooral Nederlanders wilde aanspreken op hun eigen geschiedenis. Hij vond dat Nederland uitvoerig stilstond bij zijn slachtofferschap tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar veel minder bij zijn rol als dader in de slavernijgeschiedenis.
Dat zijn schrijverssteen nu in De Nieuwe Kerk ligt, waar ook slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog worden herdacht, heeft volgens de biograaf daarom een bijzondere betekenis.
De erkenning komt bovendien in een tijd waarin Nederland excuses heeft aangeboden voor het slavernijverleden en de doorwerking daarvan steeds nadrukkelijker wordt besproken.
Veel van wat Martinus Arion decennia geleden bepleitte, klinkt nu - vanuit Nderlands perspectief - minder uitzonderlijk dan destijds.
Maar zijn teleurstelling over Nederland ging verder dan het gebrek aan erkenning van de slavernijgeschiedenis. Hij ergerde zich aan wat hij zag als paternalisme, arrogantie en onwetendheid bij Nederlandse politici. Tegelijkertijd bekritiseerde hij ook de intolerantie op Curaçao en het ontlopen van verantwoordelijkheid in de eigen samenleving.
Zijn kritiek richtte zich dus niet uitsluitend naar buiten.
Achter de publieke stem
De biografie en de toespraak van De Vries brachten tijdens de plechtigheid ook een andere Martinus Arion naar voren.
Achter de strijdbare schrijver en de uitgesproken publieke intellectueel ging volgens haar een intens eenzame man schuil.
In zijn persoonlijke archief vond zij dagboeken, brieven en ongepubliceerde manuscripten die een ander beeld gaven dan de zelfverzekerde schrijver die het publieke debat niet uit de weg ging.
Hij had zichzelf als student voorgehouden om uitbundig over alles en iedereen te praten, maar niet over zichzelf.
„Mond open, hart dicht”, zoals hij het omschreef.
Volgens De Vries gebruikte hij zijn poëzie om gevoelens te uiten waarvoor in zijn publieke optreden nauwelijks ruimte bestond. Zijn romans waren een middel om ideeën te onderzoeken en maatschappelijke veranderingen te bepleiten, terwijl zijn gedichten vaker gingen over eenzaamheid, onzekerheid en zijn zoektocht naar harmonie.
Juist dat maakt de onthulling van een schrijverssteen voor Martinus Arion meer dan een bevestiging van zijn literaire status. De schrijver die tijdens zijn leven voortdurend probeerde anderen te bereiken, krijgt nu een blijvende plaats in het culturele geheugen van het land waarmee hij zo’n moeilijke verhouding had.
Twee kunstenaars uit Curaçao
Ook het ontwerp van de schrijverssteen kent een bijzondere geschiedenis.
De steen werd ontworpen door Nelson Carrilho, de Curaçaose beeldhouwer die vooral bekend werd door zijn monument Mama Baranka in het Amsterdamse Vondelpark. Dat beeld werd in 1984 geplaatst ter nagedachtenis aan Kerwin Duinmeijer, de vijftienjarige jongen die het jaar daarvoor bij racistisch geweld om het leven kwam.
Carrilho, die eerder dit jaar overleed, maakte de onthulling van zijn ontwerp niet meer mee. Zijn zus Mavis Carrilho sprak tijdens de bijeenkomst over de verwantschap tussen de twee kunstenaars.
„Frank maakte van Curaçao geen decor, maar een wereld die haar eigen plaats opeiste in de literatuur en in de geschiedenis”, zei ze. Volgens haar hielden beide kunstenaars zich bezig met menselijke waardigheid, vrijheid en de vraag wie het recht heeft zijn eigen verhaal te vertellen.
Waar Martinus Arion dat met woorden deed, gebruikte Carrilho zijn beelden. Hun werk was niet uitsluitend bedoeld om bewonderd te worden, maar ook om ongemakkelijke vragen op te roepen.
Mavis Carrilho stond stil bij het verdriet dat haar broer de voltooiing van het project niet meer kon meemaken. Hij had de opdracht als bijzonder ervaren en voelde verwantschap met de schrijver.
De onthulling bracht zo twee Curaçaose kunstenaars samen die ieder op hun eigen manier in Nederland aandacht vroegen voor de geschiedenis en de positie van mensen die niet vanzelfsprekend werden gehoord.
De afwezige Trudi
Een persoonlijk moment tijdens de ceremonie kwam van presentatrice en schrijfster Milouska Meulens. Zij droeg Verlanglijst voor, een gedicht uit de bundel Vogel op het licht uit 1981, geschreven door Trudi Guda, de weduwe van Martinus Arion.
Guda kon niet aanwezig zijn bij de onthulling. Volgens Meulens waren de reis en het verblijf vanuit Curaçao te belastend geworden. Ze had Meulens daarom haar exemplaar van de dichtbundel toevertrouwd, met de uitdrukkelijke opdracht het terug te brengen.
Meulens vertelde hoezeer Martinus Arion haar in haar jeugd had beïnvloed, maar ook dat zij hem destijds niet durfde te benaderen. Pas later besefte ze dat die mogelijkheid voorgoed voorbij was.
Door niet zijn werk, maar dat van Trudi Guda voor te dragen, gaf ze ook ruimte aan de vrouw die jarenlang nauw met zijn leven en schrijverschap verbonden was.
In haar gedicht beschrijft Guda de wens om te leren spreken, te luisteren en samen een bestaan op te bouwen. Een intimiteit die een ander licht werpt op de grote politieke en literaire ambities waarmee Martinus Arion doorgaans wordt geassocieerd.
Verlanglijst - Trudi Guda
Leren praten met de liefste nu,
met onze kinderen later,
de wereld tussen onze vingers
laten glijden,
proberen met schone handen
haar aan te raken
Te spreken zonder geheim,
Als onze lichamen
Leren zwijgen
Of liever, luisterennaar het juiste ogenblik
van spreken
Houden van het land van mijn liefste
Haar adem
Over ons en onze kinderen
Mijn liefste nabij.
Het leven een hangmat
Tussen ons in
Tussen Multatuli en Vondel
Dat Martinus Arion in De Nieuwe Kerk gezelschap heeft gekregen van schrijvers als Multatuli en Vondel is meer dan een symbolisch detail.
Beide auteurs speelden een rol in zijn intellectuele ontwikkeling.
Aan de Universiteit van Amsterdam doceerde hij zeventiende-eeuwse literatuur en liet hij zijn studenten ook kennismaken met de koloniale keerzijde van de zogenoemde Gouden Eeuw.
Multatuli beschouwde hij als een belangrijke voorganger. Waar die in Max Havelaar de misstanden in Nederlands-Indië aan de kaak stelde, probeerde Martinus Arion dat voor de West te doen.
Hij zag zichzelf als een van de laatste werkelijk geëngageerde schrijvers in die traditie.
Nu ligt zijn naam tussen de namen van schrijvers die hij bestudeerde, bewonderde of bekritiseerde. Het is een plaats in de Nederlandse literaire geschiedenis die hij tijdens zijn leven niet zonder meer als vanzelfsprekend beschouwde.
In de steen is een fragment opgenomen uit zijn Papiamentstalige gedicht Mi ta skirbi, waarin hij schrijft dat hij de zon achterna gaat, verder dan waar die ondergaat.
De Vries ontdekte in zijn archief een vroege Nederlandstalige versie van het gedicht. Daarin beschreef hij het schrijven als een zoektocht naar zichzelf, naar de betekenis van mens-zijn en naar harmonie tussen tegenstellingen.
Een van de laatste regels luidt:
„Dat is waarom ik schrijf.”
Het zijn woorden die passen bij een man die voortdurend probeerde zijn verschillende werelden met elkaar in verband te brengen, zonder dat de tegenstellingen ooit helemaal verdwenen.
Zijn naam ligt nu vast in de vloer van een Nederlandse kerk. Maar zijn literaire nalatenschap laat zich moeilijk vastleggen in één nationale traditie. Martinus Arion behoort tot de Nederlandse literatuur, maar zijn werk dwingt die literatuur ook om anders naar zichzelf te kijken.
Misschien is dat uiteindelijk de betekenis van zijn schrijverssteen: niet dat Nederland zijn schrijver eindelijk heeft omarmd, maar dat zijn woorden ook hier niet langer genegeerd kunnen worden.



































