Tula is de uitzondering: onderzoek legt bloot hoe Caribische verzetshelden uit schoolboeken verdwijnen

DEN HAAG – De geschiedenis van het verzet tegen slavernij en kolonialisme op de zes Caribische eilanden krijgt nauwelijks een plaats in het onderwijs. Nederlandse schoolboeken besteden veel meer aandacht aan de onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië en het verzet in Suriname dan aan de vrijheidsstrijd op Aruba, Curaçao, Bonaire, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba. Tula, de leider van de Curaçaose slavenopstand van 1795, is vrijwel de enige Caribische verzetsheld die regelmatig wordt genoemd. Andere verzetsstrijders, en vooral vrouwen, blijven grotendeels buiten beeld.
Dat blijkt uit het onderzoeksrapport Vergeten verhalen, verzwegen verleden, dat minister Pieter Heerma van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gisteren aan de Tweede Kamer heeft aangeboden. Het onderzoek is uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut, Movisie en de Universiteit van Aruba, met medewerking van onderzoekers op de afzonderlijke eilanden.
Die concluderen dat leerlingen onvoldoende leren over het verzet tegen slavernij in hun eigen omgeving. Niet alleen ontbreken lokale verzetshelden in veel schoolboeken, ook leerkrachten hebben vaak onvoldoende kennis en lesmateriaal om deze geschiedenis zelfstandig te behandelen.
Het probleem speelt zowel in Europees Nederland als op de zes eilanden zelf.
Tula tien keer, Soekarno 27 keer
Voor het Nederlandse deel van het onderzoek bekeken de onderzoekers 108 onderwijsuitgaven van de drie grootste educatieve uitgeverijen: Malmberg, Noordhoff en ThiemeMeulenhoff. Daarvan bevatten 77 boeken informatie over het Nederlandse koloniale en slavernijverleden. In 47 daarvan werd ook aandacht besteed aan antikoloniaal verzet.
De verschillen zijn groot. De Indonesische onafhankelijkheidsleider Soekarno wordt in 27 onderzochte publicaties genoemd, Mohammed Hatta in twaalf en de Curaçaose verzetsleider Tula in tien. De Surinaamse verzetsstrijders Boni en Anton de Kom worden respectievelijk zes en vijf keer genoemd.
Het gaat daarbij om vermeldingen in de onderzochte lesmaterialen, niet om het aantal scholen waar deze personen worden behandeld.
Ook de manier waarop de geschiedenis wordt verteld, verschilt. Europese personen, zoals Multatuli en de Nederlandse militair en schrijver John Stedman, krijgen doorgaans meer achtergrond en persoonlijke context. Bij verzetsstrijders die zelf onder koloniale onderdrukking leefden, blijven hun motieven en opvattingen veelal onderbelicht.
Tula wordt in de onderzochte Nederlandse methoden doorgaans beschreven als een tot slaaf gemaakte man die een opstand leidde. Zijn politieke ideeën, de omstandigheden waaronder hij in verzet kwam en de betekenis van zijn strijd krijgen veel minder aandacht.
Volgens de onderzoekers komt bovendien verouderd koloniaal taalgebruik voor. Zo worden deelnemers aan de opstand omschreven als opstandige slaven en vrienden van Tula, zonder dat duidelijk wordt gemaakt welke politieke en maatschappelijke betekenis hun gezamenlijk verzet had.
Vergeten vrouwen
Het onderzoek laat zien dat vooral vrouwelijke verzetsstrijders ontbreken in het geschiedenisonderwijs. De onderzoekers telden in hun Caribische inventarisatie dertig mannelijke en zeven vrouwelijke met naam genoemde verzetsfiguren. Van de zes eilanden kwamen twaalf mannen en drie vrouwen naar voren.
Onder hen zijn Maria, die volgens het rapport in 1717 een opstand leidde op de Curaçaose WIC-plantage Santa Maria, en Johanna Lesire, die de opstandelingen van 1795 ondersteunde.
Op Sint Maarten wordt One-Tété Lohkay genoemd, een vrouw die van een plantage vluchtte en volgens de overlevering als straf een borst verloor. Haar geschiedenis is op Sint Maarten bekend, maar krijgt volgens de onderzoekers buiten het eiland weinig aandacht.
Ook op Bonaire vonden verzetsdaden plaats. Het rapport noemt Martis di Katalina Janga, die in 1834 in verzet kwam tegen de omstandigheden in de zoutpannen. Op Sint Eustatius werd in 1688 een opstand van tot slaaf gemaakte mensen onderdrukt. Op Saba probeerden in 1656 veertien tot slaaf gemaakten per schip naar Puerto Rico te ontsnappen.
Deze gebeurtenissen komen volgens de onderzoekers nauwelijks terug in het reguliere geschiedenisonderwijs.
Leerlingen kennen eigen geschiedenis niet
De gevolgen worden zichtbaar in gesprekken met scholieren op de eilanden. Op Bonaire konden leerlingen weinig vertellen over lokaal verzet tegen slavernij. Ze kenden wel de slavenhuisjes en de zoutpannen, maar nauwelijks de mensen die er werkten of zich tegen hun omstandigheden verzetten.
Op Aruba konden leerlingen van vier bezochte scholen geen lokale verzetshelden of verzetsdaden noemen. Ze vonden het slavernijverleden belangrijk, maar ervoeren de geschiedenlessen als te algemeen.
Op Sint Maarten was de kennis van lokale geschiedenis groter. Leerlingen noemden onder andere One-Tété Lohkay en de vlucht van tot slaaf gemaakten naar het Franse deel van het eiland, waar de slavernij eerder was afgeschaft.
Volgens de onderzoekers beschikken leerlingen vaak over losse historische feiten, zonder de samenhang tussen gebeurtenissen en hun maatschappelijke betekenis te begrijpen.
Tegelijkertijd blijkt uit de gesprekken dat jongeren juist meer willen weten over het slavernijverleden van hun eigen eiland en hun familiegeschiedenis.
De onderzoekers konden vanwege vakantieperiodes niet op alle eilanden leerlingen spreken. Zo ontbreken gesprekken met Curaçaose scholieren in dit deel van het onderzoek.
Geschiedenis door Nederlandse ogen
Een belangrijke oorzaak ligt volgens het rapport bij het lesmateriaal. Veel Caribische scholen gebruiken Nederlandse geschiedenismethoden, die vooral zijn ontwikkeld voor leerlingen in Europees Nederland.
Daarin ligt het zwaartepunt bij Nederlands-Indië en Suriname. De Caribische eilanden verschijnen voornamelijk wanneer de Nederlandse koloniale geschiedenis rechtstreeks aan bod komt.
Ook Engelstalige lesmethoden, die veel worden gebruikt op Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba, bieden niet altijd uitkomst. Die behandelen wel de bredere Caribische slavernijgeschiedenis, waaronder de Haïtiaanse revolutie en opstanden op Jamaica, maar besteden weinig aandacht aan het verleden van de afzonderlijke Nederlandse Caribische eilanden.
Lokale lesmethoden vullen een deel van die leemte op, maar zijn volgens de onderzoekers vaak verouderd of onvoldoende beschikbaar.
Daar komt bij dat leerkrachten niet altijd vertrouwd zijn met de geschiedenis van het eiland waar zij lesgeven. Vooral op Bonaire en de Bovenwindse eilanden werken veel docenten die afkomstig zijn uit Europees Nederland of andere Caribische landen.
De onderzoekers constateren dat deze docenten tijdens hun opleiding onvoldoende kennis meekrijgen over het specifieke koloniale verleden van de zes eilanden.
Pleidooi voor Caribisch onderwijsnetwerk
Het rapport pleit daarom voor samenwerking tussen de zes eilanden bij het ontwikkelen van nieuw geschiedenisonderwijs.
De onderzoekers adviseren onder meer een Nederlands Caribisch kennisnetwerk voor onderwijs op te richten. Dat moet helpen bij het ontwikkelen van lesmateriaal, het verbeteren van lerarenopleidingen en het uitwisselen van historische kennis.
Ook willen zij dat Caribische onderzoekers meer ruimte krijgen om vergeten verzetsverhalen vast te leggen. Daarbij moet nadrukkelijk aandacht worden besteed aan vrouwen, lokale herinneringsplaatsen en verschillende vormen van verzet.
Volgens het onderzoek is het niet voldoende om de bestaande geschiedenisboeken aan te vullen met enkele namen. De manier waarop de koloniale geschiedenis wordt verteld, moet eveneens veranderen, zodat de ervaringen en het handelen van de mensen die zich tegen onderdrukking verzetten een grotere plaats krijgen.
Kabinet onderzoekt aanbevelingen
Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van een motie die voormalig Tweede Kamerlid Sylvana Simons in 2022 indiende. Daarin werd de regering opgeroepen verhalen van antikoloniale verzetshelden te onderzoeken, te archiveren en een plaats te geven in het Nederlandse geschiedenisonderwijs.
Minister Heerma schrijft in zijn Kamerbrief dat met het onderzoek uitvoering is gegeven aan die motie.
Het kabinet onderzoekt nog of de aanbevelingen kunnen worden meegenomen in toekomstig beleid. Concrete toezeggingen over nieuwe Caribische lesmethoden, gezamenlijke leerdoelen of extra financiering bevat de brief niet.
Wel verwacht het kabinet dat in Europees Nederland op 1 augustus 2027 nieuwe kerndoelen in werking treden waarin het koloniale en slavernijverleden nadrukkelijker worden opgenomen.
Voor de zes Caribische eilanden bevat de Kamerbrief geen vergelijkbare datum of gezamenlijke aanpak.
Daarmee blijft voorlopig de situatie bestaan die de onderzoekers beschrijven: leerlingen leren over het Nederlandse koloniale verleden, maar de geschiedenis van het verzet op hun eigen eiland is nog altijd sterk afhankelijk van het initiatief van hun leerkracht.
Lees hier het onderzoeksrapport Vergeten verhalen, verzwegen verleden




































