Vier parlementen vragen welke gegevens straks mogelijk niet meer kunnen worden gedeeld

WILLEMSTAD – Parlementariërs uit Curaçao, Aruba, Sint-Maarten en Nederland willen van de Nederlandse regering weten welke persoonsgegevens binnen het Koninkrijk mogelijk niet langer volledig kunnen worden uitgewisseld en wat daarvan de gevolgen zijn. De gezamenlijke vragen geven nieuwe urgentie aan de al langer bestaande problemen rond verschillen in privacywetgeving tussen de vier landen.
De vragen zijn namens de vier parlementaire delegaties van het Interparlementair Koninkrijksoverleg (IPKO) gesteld aan de Nederlandse staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zij willen in het bijzonder weten of de uitwisseling van gegevens op het gebied van veiligheid in de knel kan komen.
Daarmee gaat de discussie een stap verder dan de constatering dat de privacywetgeving binnen het Koninkrijk niet op elkaar aansluit. De parlementariërs vragen nu om concreet te maken welke informatie mogelijk niet meer volledig kan worden gedeeld, welke gevolgen dat heeft en wanneer nieuwe wetgeving gereed moet zijn om dat te voorkomen.
Probleem al langer bekend
Curaçao.nu schreef in juni al dat de Nederlandse Autoriteit Persoonsgegevens ernstige bezwaren heeft tegen het beschermingsniveau in Curaçao, Aruba en Sint-Maarten. Volgens de toezichthouder ontbreekt met name effectief onafhankelijk toezicht en kan dat problemen opleveren wanneer persoonsgegevens vanuit Europees Nederland naar de Caribische landen worden doorgestuurd.
Begin september kwam het probleem opnieuw naar voren tijdens het Justitieel Vierlandenoverleg op Curaçao. De vier landen willen politie- en justitiegegevens makkelijker kunnen uitwisselen, maar zijn het nog niet eens over de juridische constructie daarvoor. Nederland ziet een consensusrijkswet als oplossing, terwijl daar vanuit de Caribische landen bezwaren tegen bestaan.
De Nederlandse minister van Justitie en Veiligheid David van Weel zei toen dat Curaçao, Aruba en Sint-Maarten bij de doorgifte van Nederlandse politiegegevens momenteel bijna als derde landen moeten worden behandeld. Verschillende wetten en juridische regimes verhinderen dat informatie zonder meer kan worden gedeeld alsof het Koninkrijk één rechtsgebied is.
Vier landen zien verschillende beschermingsniveaus
Tijdens het IPKO van februari op Aruba werd afgesproken dat alle vier de landen zouden inventariseren of hun wetgeving voldoende bescherming biedt om gegevens vrij te kunnen uitwisselen, onder meer voor veiligheidssamenwerking.
Die inventarisatie lag in juni op tafel. Daaruit blijkt dat alle landen wel privacywetgeving hebben, maar dat hun juridische kaders sterk verschillen en daardoor ook verschillende beschermingsniveaus bestaan. Volgens de parlementaire delegaties liggen er daarom zowel voor de afzonderlijke landen als voor het Koninkrijk als geheel nog duidelijke opgaven.
Dat verschil is juist bij politie- en justitiegegevens van belang. Rechercheonderzoeken, informatie over verdachten en veroordeelden en andere gevoelige persoonsgegevens kunnen alleen worden uitgewisseld wanneer daarvoor voldoende juridische waarborgen bestaan.
Is wetgeving op tijd?
De vier delegaties willen daarom niet alleen weten óf gegevensuitwisseling beperkt kan worden, maar ook of geplande wetgeving op tijd in werking treedt. De staatssecretaris moet uitleggen hoe wordt voorkomen dat voor inwoners relevante gegevens tijdelijk niet meer of slechts beperkt kunnen worden gedeeld. Ook vragen de parlementariërs hoe wordt gegarandeerd dat de noodzakelijke wettelijke aanpassingen binnen de vereiste termijn worden afgerond.
De ministers van Justitie hebben eerder afgesproken de privacyregels binnen het Koninkrijk beter op elkaar af te stemmen. Daarbij wordt een consensusrijkswet als mogelijkheid genoemd. Curaçao trok zich in 2024 echter terug uit het overleg over harmonisatie binnen het Justitieel Vierlandenoverleg, omdat het dossier volgens de Curaçaose regering niet uitsluitend onder Justitie viel.
De parlementariërs benadrukken nu dat hun vragen niet betekenen dat zij al hebben ingestemd met zo’n consensusrijkswet. Over de wenselijkheid, inhoud en juridische basis daarvan moet volgens hen nog afzonderlijk worden besloten.





































